en
Merkcommunicatie
Boon Strategy adviseert reclamebureaus en adverteerders bij het bouwen van merken en de ontwikkeling van creatieve merkcommunicatie. Meer specifiek bij de ontwikkeling van (online) reclame, branded content, merkplatforms en huisstijlen.

Strategie
Boon Strategy is gespecialiseerd in het vertalen van waardevolle consumenteninzichten naar strakke merkdocumenten en inspirerende creatieve briefings. Daarbij is BoonStrategy ook vaak verantwoordelijk voor de creatieve executie van haar strategieën in samenwerking met een sterk netwerk van reclamecreatieven, grafisch vormgevers en web developers.

Toegevoegde waarde
Al met al bestaat de kracht van een 'Boon Strategy' uit strategische focus, een creatieve oplossing, effectieve communicatie en een consistent merk.


Marktanalyse
Om tot een goede positionering van je merk en/of product te komen, is het van belang te weten welke spelers en krachten er in de markt actief zijn. In deze allereerste fase van de ontwikkeling van creatieve communicatie kijken we naar de trends in de markt, de manier waarop de concurrentie zich profileert en de USP van je merk. Ook wordt de doelgroep omschreven en vastgesteld wat haar beweegt en haar wensen zijn. Op basis van deze informatie formuleren we een merk- en/of communicatiestrategie die de basis vormt van het gehele creatieve proces.
Kwalitatief onderzoek
Een globale marktanalyse geeft niet altijd voldoende specifieke informatie over de beweegredenen van je doelgroep. Daarom kan het nuttig zijn om een directe dialoog te voeren met je doelgroep over haar gewoonten en behoeften en over de productcategorie en zijn merken. Deze sessies – die zowel 1 op 1 plaats vinden als in groepsverband – leveren waardevolle informatie en  consumenteninzichten op die een belangrijke bron van inspiratie vormen en richting geven in het creatieve proces.
Merkessentie workshop
Ook wanneer je voldoende informatie hebt over de markt en je doelgroep, kan het lastig zijn om tot een adequate positionering te komen. Dat kan komen omdat intern niet alle neuzen dezelfde kant op staan of door externe krachten die een eenduidige positionering onmogelijk lijken te maken. In dat geval raden we aan een merkessentie workshop houden. Dit soort workshops houdt het midden tussen een creatieve brainstorm en een gestructureerde bijeenkomst met concrete doelstellingen. De uiteindelijke output vormt de ideale basis voor het formuleren van een merk-DNA document.
Merk-DNA document
Wanneer een merk geboren wordt of een koerswijziging doormaakt, raden wij aan om een document te creëren waarin het DNA van het merk wordt vastgelegd, zodat alle partijen binnen de organisatie aan hetzelfde merk bouwen en hetzelfde doel voor ogen hebben. In het merk-DNA document worden helder en beknopt 8 strategische onderdelen geformuleerd waaruit op vanzelfsprekende wijze de merkessentie voortvloeit. Het document is daarom zeer geschikt om als leidraad te dienen bij iedere vorm van business development of branded exposure.
Creative briefing
Wanneer een reclame- of design bureau wordt gevraagd een creatief idee of design te ontwikkelen, adviseren wij altijd om een creatieve briefing te formuleren. De creatieve briefing beschrijft helder en beknopt onder andere de problematiek in de markt, de doelstellingen van de adverteerder, de merkidentiteit, de meest waardevolle consumenteninzichten en de kernbelofte van je product. Een goede briefing voegt focus, inspiratie en efficiëntie toe aan het creatieve proces en draagt aldus uiteindelijk bij aan effectievere communicatie.
Concept testing
Wanneer een bureau een creatief concept heeft uitgewerkt, maar nog worstelt met de precieze uitwerking ervan, kan het wenselijk zijn om verschillende richtingen bij de doelgroep te testen. Volgens een vooropgesteld onderzoeksplan worden dan meerdere creatieve uitingen tegen een representatieve testgroep aan gehouden. Vervolgens worden de spontane reacties geregistreerd en vragen gesteld die duidelijk moeten maken of het concept impact heeft, welke richting het meest geschikt is en hoe het concept verbeterd kan worden.
achtung
Wieden+Kennedy
CCCP
G2
Tribal DDB
Y&R Not Just Film
Pink & Poodle
Ogilvy
They
MergeMedia
Wouter BoonBoon Strategy is opgericht door Wouter Boon. Wouter studeerde rechten in Amsterdam, werkte als jurist bij Unilever en vervolgens als merkenrechtadvocaat bij Boekel De Nerée.

In 2003 stapte Wouter over naar de reclame. Hij werkte als strateeg bij McCann Erickson en LoweDraftfcb, voordat hij in 2008 voor zichzelf begon. Wouter heeft gewerkt voor diverse nationale – en internationale merken, zoals Nivea, Nokia, Honda, Electronic Arts, Danone en IBM.

Naast Boon Strategy richtte Wouter in 2008 Amsterdam Ad Blog op, een internationaal blog over de Amsterdamse reclamewereld. Ook organiseert hij twee keer per jaar X-Pollination, een netwerkborrel voor de Amsterdamse creatieve industrie.


Schone helden
(Adformatie, 23-10-2012)

Felix Baumgartner die van een indrukwekkende hoogte van 39 kilometer uit een luchtballon sprong was natuurlijk dé mediahit vorige week. YouTube versloeg het live, elk journaal en krant sprak erover en ook op social media was het een dankbaar onderwerp. En iedereen weet wie de sponsor was. Ik schat dat Red Bull er honderden miljoenen ‘free publicity’ aan over hield - de natte droom van elk mediabureau dat een rekenmachine kan vasthouden. Maar iets orkestreren dat de moeite waard is om over te praten, is één ding. Wat ik vooral indrukwekkend vind aan Red Bull is dat het marketing – in de bredere zin van het woord – zo goed begrijpt.

De maker van het cafeïne- en taurine-houdende drankje, is het levende bewijs van Theodore Levitt’s adagium:“People don’t want to buy a quarter-inch drill. They want a quarter-inch hole.” Red Bull begrijpt als geen ander dat haar mierzoete drankje slechts de ‘quarter inch drill’ is. Met alle spectaculaire evenementen die het bedrijf organiseert – stuntvliegen, cliff diving en nu sinds kort dus ook een vrije val vanuit een luchtballon – is Red Bull een van de meest stoere merken op aarde geworden. Een merk dat precies weet hoe het de behoeften van adrenaline junkies moet voldoen. Of eigenlijk, de behoefte van een consument die het gevoel wil hebben dat hij niet gemiddeld, maar extreem is – voilà ‘the quarter inch hole’.

Over extreem gesproken. Er was nog een groot nieuwsevent vorige week, van dat andere merk dat mensen graag tot grotere hoogten drijft; Nike dat Lance Armstrong dumpt. We weten inmiddels allemaal dat ook hij een soort energiedrankje gebruikte dat hem in staat stelde om - direct nadat hij van teelbalkanker was genezen - 7 keer de Tour de France op rij te winnen. Een modern sprookje – inclusief de hap van de vergiftigde appel.

Nike begreep Levitt’s woorden overigens al toen Red Bull nog in de kinderschoenen stond. Met de pay off Just do itheeft Nike een belofte gecreëerd die zelfs de amateur het gevoel geeft dat hij een professional is wanneer hij Nike draagt. En de ‘quarter inch hole’ van Nike is alleen maar groter geworden. Hardlopen gaat allang niet meer over de schoenen; met Nike+ heb je je eigen hardloopcoach. En met FuelBand – dat laat zien hoeveel calorieën je dagelijks verbrand – heb je zelfs non-stop een ‘personal trainer’ aan je pols.

Maar ja, nu dus die Armstrong affaire. Aan Nike zit opeens een smaakje – ik zag al ‘Just fake it’, ‘Lie strong’ en ‘Live wrong’ langskomen op het sociale web. Misschien moet Nike nog een keer goed naar zijn merkbelofte kijken en de fundamentele vraag stellen hoe belangrijk het is dat topsport schoon is. Na het dumpen van Armstrong lijkt men dat belangrijk te vinden, maar ik denk dat ze in hun merkverhaal expliciet stelling moeten gaan nemen. Want Armstrong is natuurlijk niet de enige topsporter die aan de dope is. Met andere woorden; word je de Red Bull onder de sportmerken, zodat de bovennatuurlijke prestaties de middelen heiligen. Of juist het eerste biologische sportmerk, zonder kunstmatige toevoegingen?

Constructive creativity
(Amsterdam Ad Blog, 13-09-2012)

Last week I read that Coca Cola built an app on Facebook to crowdsource happiness. Or in the more formal words of Coca Cola; it wants to identify individuals that are creating ideas that can make people happy. There are easily some critical notes to make here – e.g. how about a tighter brief? But what I like about it is that instead of feeding me very sweet commercials – with a matching soft drink – this ‘Happiness factory’ is actually doing something far more constructive; it has the potential to make the world a little better. And though I am often sceptical about ad concepts that crowdsource creativity, this Happiness app reminded me of another fantastic crowdsource-concept I came across in Cannes this year.

Saatchi & Saatchi Israel brought together Palestinian and Israeli families who lost relatives in the Israeli-Palestinian conflict to donate blood alongside each other to save lives on the opposite side, thus becoming blood related. The idea was crowdsourced in Israel and the brief called ‘the impossible brief’ – not an understatement if you know how many people have tried to solve this problem. The casefilm is made in such a beautiful way that it’s hard not to get a lump in your throat - you can easily imagine how it won 5 golden Lions. But apart from that, the concept made me realise once again how much more we can achieve with creativity in advertising than selling superfluous FMCG’s.

I am of course not the first one to make the observation that the ad world has the creative power to solve more structural problems than ‘our sales have dropped with 2.7% in the third quarter.’ Mark Woerde, partner at Amsterdam agency Lemz, last year published a book called "How advertising will heal the world and your business". In this book – downloadable for free via letsheal.org – he describes how brands should become ‘prosocial,’ rather than simply fulfil individual needs.

It might be a little too optimistic to think that the majority of brands will be healing the world in the future - I believe that marketers will always be primarily interested in sales and avoiding risks. But I hope Woerde’s book predicts a lasting trend pointing into a direction of brands becoming more social. So while I don’t really believe that Coca Cola will make the world a happier place, I hope the brand will at least inspire other marketers to use their budgets, and more specifically, their ad agency’s creativity more constructively.

I only subscribe to spotified content
(Amsterdam Ad Blog, 23-08-2012)

I recently rented a film through cable provider UPC. Had never done so before, since navigating through the UPC menu is as intuitive as trying to cross primary forest blindfolded … on crutches. So I never wonder beyond changing channels and volume on my UPC remote. But I happened to be at a friend who uses UPC for watching films all the time. I found out that UPC charges €5 for renting a movie – HD even more. What?! Their streaming offer is more expensive than renting a physical copy at an old fashioned bricks and mortar video store? I am sure there’s enough people – like my friend – happy to pay this price, but it’s definitely not going to stop me from downloading movies.

Just to be clear, I am not against paying for content. The investment to create content needs to get back to the creator, producer, distributor, etc., in one way or another. That I understand. And that`s why I am happy to pay Spotify the same €5 (per month) for giving me access to almost any sort of music I could possibly want to listen to. Unlike UPC’s product, Spotify proved to have the killer app to stop me from downloading music illegally - thus successfully bridging the gap between The Pirate Bay and the traditional music labels looking at the internet as a deer in headlights.

And if you wonder why I never used iTunes for legally buying music, it’s because its software is strangely enough as consumer friendly as UPC’s - if you’ve ever tried to transfer photos from your iPhone to your computer through iTunes, you know what I mean.

What I find typical about the established content publishers is that they have such a hard time adapting to innovations and new market realities. And it’s not just because they don’t like innovation, it’s also because they get used to making money the easy way. Remember when the CD was invented and the music labels told us that the high price was only temporary? They never lowered the price. They only increased it, because they got used to the money pouring in without having to think about their future. And by doing so, many labels didn’t just go bankrupt, they also created a high demand for illegal downloading; it was simply too profitable for the consumer.

Paper publishers also have a hard time adapting. Instead of embracing the digital age they still try to force feed their paper editions through our throats – luring us into trial subscriptions with shitty presents. While at the same time they offer their copy-pasted-news-agency-releases on banner-infested pages for free. They also have iPad editions - fair enough - but these are almost as expensive as the paper edition, which is the UPC way of thinking and thus not attractive for me.

The problem is, when I am online – which is most of the time - I want to be able to search on genre through various titles, not just through whatever one single title offers me. Whether you like it or not, that is the new Google paradigm; having access to it all through search. The only way to persuade me to subscribe to quality content – like films, music or news - is when it’s offered in a ‘spotified’ model. And so, as soon as there’s a place where I can read articles from the New York Times, the Economist, and Wired through one single source, I’ll take a subscription and pay up straight away.

Als beste getest?
(Adformatie, 07-08-2012)

Van de week fietste ik langs een tramhokje met naast elkaar twee abri-posters die verdacht veel op elkaar lijken. Niet in uiterlijk; de een, Sun, communiceert wat subtieler of chiquer zou je kunnen zeggen, terwijl de ander, W5 - verkocht bij Lidl – lekker schreeuwerig en goedkoop oogt. Maar de boodschap is hetzelfde; allebei pochen ze met een onderzoek van de Consumentenbond en claimen ze als beste getest te zijn. Echter, met één kleine nuance; Sun roept dat ze als best getest is op ‘reiniging’. Het is natuurlijk goed om te weten dat Sun niet de beste is in ‘vuil maken’, maar wat ik me natuurlijk vooral afvroeg is; wie is nu eigenlijk de beste?

Blijkbaar zijn er verschillende parameters die bepalen of een merk goed wast. Ik heb het onderzoek van de Consumentenbond er daarom maar even bij gepakt. En wat blijkt; het armoedige W5 van de Lidl wint de strijd van Sun vrij overtuigend. Dat wil zeggen, op reiniging scoren beide merken even goed, maar over het geheel genomen - dus meenemend factoren als ‘materiaalaantasting’, ‘kalkaanslag’ en ‘streeploos opdrogen’ - scoort W5 een 7,1 en Sun een 6,6. W5 krijgt dan ook van de Consumentenbond het label ‘beste uit de test’ – samen met een ander B-merk, ‘Una’ van Aldi dat zelfs een 7,3 scoort.

Op zichzelf scoort Sun best goed, want het komt als derde uit de test, maar de allergrootste slag in de strijd om het tramhokje levert W5 toch wel met haar prijs. Het Lidl merk scoort namelijk óók het label ‘Beste koop’, omdat het per wasbeurt slechts €0,08 kost, terwijl Sun voor dezelfde wasbeurt €0,25 vraagt. Dat is dus ruim 3 keer zo duur! Dat alle wasmiddelen in dezelfde fabriek worden gemaakt wisten we natuurlijk al lang, maar dat je wel heel erg stom bent als je een A-merk koopt, wordt door dit onderzoek van de Consumentenbond wel heel pijnlijk duidelijk.

Ik denk daarom dat Sun de onderzoeken van de Consumentenbond voortaan beter gewoon links kan laten liggen. Laat het merk zich weer focussen op waar het echt goed in is. En dan bedoel ik natuurlijk niet het produceren van wasmiddelen, want dat kan iedereen tegenwoordig. Nee, ik bedoel reclame maken. Je weet wel, een advertising property in de markt zetten met grappige mannetjes in witte jassen die in ieder geval deindruk wekken dat ze veruit het beste zijn in wasmiddelen maken.

Criticize your darlings
(Amsterdam Ad Blog, 14-06-2012)

I recently read the book Imagine by Jonah Lehrer, a book about ‘how creativity works’. An interesting part of the book is the part where Lehrer describes how the famous animation studio Pixar stimulates creativity within its headquarters. One of the pillars of Pixar’s creative success is the way its employees interact in group meetings. According to Lehrer criticism is key. And that is funny, cause in advertising we always learn that in brainstorms criticism is detrimental to the creative output of the group.

The brainstorm model was invented by Alex Osborn – the O in BBDO – at the end of the 1940s. He even coined the term. The reason why Osborn ruled criticism out in brainstorms is that he believed that everyone in the group should be feeling free to come up with the craziest ideas and not be afraid to be ridiculed. A friend of mine who worked with the inventor of the Big Brother TV format, John de Mol, once told me how De Mol could humiliate people in ‘creative’ meetings for coming up with bad ideas. To Osborn’s point; such an atmosphere doesn’t really encourage people to think beyond the obvious. Osborn believed that in the brainstorm quantity is the most important thing – quality follows later.

But Osborn’s model doesn’t work. This has been scientifically proven a few times. Already in 1958 a Yale experiment did so. 48 undergraduates were divided into twelve groups and given a series of creative puzzles, which they had to solve by using Osborn’s model. As a control sample, another group of 48 students were given the same puzzles to solve individually. The results were clear; the solo students not only came up with twice as many solutions, their results were also judged more feasible and effective by a panel of judges. The conclusion; brainstorming makes the individual less creative.

So what’s essential at Pixar is that the different disciplines, like animators and writers, are all expected to criticize each other’s work – every morning starts with a ‘crit session’. The model was inspired by Toyota’s manufacturing process, in which everybody has the duty to find errors – even the people at the assembly line. Lehrer describes that in group creativity the whole can only become more than the sum of its parts if individuals are candid and critical. This way people are encouraged to fully engage with the ideas of others. It’s the imperfection of the ideas of others and the drive to improve them that makes us listen to someone else’s ideas.

There’s one important addition though; you can only be critical about someone else’s idea, if you find a plus about it. Creative teams working in smaller groups – often still with a copywriter and art director – know this. Only when they can build on each other`s critique, they’re a real creative team. But criticism on the creative floor is still a sensitive issue – especially when coming from ‘non-creatives’.

allowed in the brainstorm. This way you’re not simply killing your darlings, but you’re improving them on the spot. And this is what makes Pixar the most successful creative studio in the world. In fact, not just creatively, also commercially; since the first Toy Story was released in 1995, Pixar has created 12 feature films of which every single one was a commercial success – with an average gross of $550 million per film.

Re-Publica; Nature finds a way
(Amsterdam Ad Blog, 08-05-2012)

I visited a digital conference last week in Berlin, called Re:Publica. Symbolically enough I arrived in Kreuzberg (Berlin) on May 1st, the day that Germany’s anarchists traditionally gather there to burn cars and protest against their ‘capitalist’ government. Re:Publica felt somewhat similar - save the military police subduing the crowd. No surprise, the conference started six years ago as a get together of bloggers and internet activists who believe the internet should give us unrestricted freedom.

The fact though that there was no internet during the conference due to a technical glitch, immediately proved how vulnerable this omnipresent medium is. Even a conference visited by the tech-savviest brains of Germany couldn’t make the internet work. This is actually what I always like to call the paradox of digital innovation; only when an innovation is at the end of its life cycle, ready to be replaced by a new innovation, it works flawlessly. Fortunately I found some kind Germans who used their phone to set up a small mobile internet hub for me, so that every now and then I could connect to the web - for free.

Anyway, the first talk that made an impact on me was by Glyn Moody, a journalist and open source activist, who spoke about the history of copyright. The first copyrights in the 16th century were basically state monopolies on producing printed copies. The first act though giving a licence to the author, rather than the publisher, was the ‘Statute of Anne,’ enacted in 1710 and literally called “An Act for the Encouragement of Learning.” The act granted a copyright lasting (in principle) 14 years. Since then the length of protection has only been extended. Today, it’s a lifetime plus 70 years (!).

This means that while publishing and copying has democratised strongly over the last three centuries, the legal exclusiveness of a work has only increased. And while once introduced as a means to ‘stimulate learning’, a copyright today is something that actually prevents us from learning. After all, the freedom to spread data is limited by our copyright laws. And if acts like ACTA and PIPA are taken into effect, sharing will become more difficult and even dangerous. I do of course understand that a copyright guarantees the author a fair remuneration for his efforts, but when you know that we can today all publish a work with the speed of a tweet, you realise something went wrong here.

There were also many political activists - from places like Syria, Iran, and China – at the conference, talking about what it’s like to make and find objective news in dictatorial countries. What I learned is that when governments spy on bloggers, prohibit digital platforms, or simply slows or break down the internet, a repressed people becomes extremely inventive in finding new ways of digital communication. And it’s interesting to see how Twitter for example plays an important role in these countries as the preferred news medium – above the State governed media.

In fact, I learned that even in Western countries Twitter can improve the objectiveness of the news. Katie Jacobs Stanton, VP International at Twitter, showed us how Fox news – not typically known as the most objective news source - recently used Twitter in a Republican Presidential Debate to see if the potential candidates were answering or dodging the question – you could Twitter #answer or #dodge. It clearly gave an insight in the straightforwardness of the candidates. Though the stats didn`t predict Obama`s eventual opponent - Romney was dodging hard - this also shows that a more direct form of democracy is possible.

So I went back to Amsterdam in enlightened and optimistic spirits. Though this doesn’t mean we can all sit back and relax and let undemocratic governments – both Western and illegal - thwart the openness of the internet, I do have the feeling that there is no way back. Whether it is about building a small mobile internet hub at Re:Publica or being an objective news source on Twitter in China, nature will always find a way.

Pinnen bij de bank anno nu
(Adformatie, 25-04-2012)

Ik ben niet zo’n fan van wat ik een reclamecreatief laatst hoorde noemen ‘moppentrommel’-reclame. Met van die quasi-grappige typetjes zoals de onlangs gesneuvelde Tineke Schouten in de C1000 commercials. Maar vaak moet ik mezelf terugfluiten; je bent nu eenmaal de doelgroep niet, denk ik dan. Toch kwam ik laatst weer een ‘humor om te lachen’ commercial tegen uit nogal onverwachte hoek. Niet van een FMCG-fabrikant of retailer, maar van dienstverlener ABN AMRO. Het gaat om een hele serie filmpjes – ook gelanceerd via YouTube – waarbij het merk betalen met je pinpas aan de man brengt.

Bea en Gea moeten het namelijk een week lang zonder cash doen. En elke dag belanden ze in een nieuwe situatie waarin hun pinpas oh zo handig is. Zo ook in dit filmpje bij de antiquair. Op z’n best zou ik dit werk willen omschrijven als een parodie op reclame - alleen niet zo’n hele goeie. Maar los van het feit dat ik er kromme tenen van krijg, begrijp ik niet zo goed dat ABN AMRO pinnen introduceert. Elke bank heeft toch een pinpas? Dat wist míjn oma 10 jaar geleden al.

En ook al richt de ABN AMRO zich hier duidelijk niet op mij, toch vraag ik me af of de vergrijzende Nederlandse bevolking zich op deze manier aangesproken wil zien. Is het niet een van de basisregels van seniorenreclame dat je senioren niet als zodanig stereotypeert?

Mijn grootste vraagteken wordt echter ingeleid door de vraag waar de ‘Bank anno nu’ is gebleven. De bank die ooit de Bank heette, heeft zijn moderne imago hier ingeruild voor een bank die op oubollige wijze uitlegt dat je met een pinpas kunt pinnen (sic).

Op zichzelf begrijp ik best dat de kredietcrisis het zelfvertrouwen van sommige banken een knauw heeft gegeven. En al helemaal dat ze niet zo hoog meer van de toren kunnen blazen – daar schreef ik mijn vorige column nog over. Maar met deze laagdrempeligheid – om niet te zeggen platvloersheid - doet ABN AMRO zichzelf toch echt tekort. Als er namelijk één bank is die nog steeds op geloofwaardige wijze een moderne bank met aspiratie kan neerzetten, dan is het ABN AMRO wel. Wat dat betreft heeft de ABN volgens mij nog steeds een ijzersterk imago. Ik heb daarom ook zo’n vermoeden dat men zich bij de ABN AMRO op z’n zachtst gezegd niet zal herkennen in deze reclame. En dat Bea en Gea heel snel bijgezet zullen worden in het reclamegraf van irritante typetjes.

Stroom is gewoon stroom
(Adformatie, 29-03-2012)

In 2008 onderwees Energie Direct ons met een prachtige pay-off dat stroom gewoon stroom is. Hoewel natuurlijk een waarheid als een koe, was het voor veel mensen toch een eye opener, denk ik. Switchen van energieleverancier deed je immers niet zomaar. En toen opiniepeiler Maurice de Hond twee jaar later de Nederlander expliciet opriep voor de goedkoopste provider te gaan, leek het hek van de dam. De gevestigde partijen probeerden op allerlei manieren de exodus tegen te gaan door hun toegevoegde waarde te communiceren, maar het voelde een beetje als een kat in het nauw, want ze wisselden voor m’n gevoel zo’n beetje per reclameblok van vorm en inhoud. En nu hebben ze weer wat nieuws. Essent, Eneco en Nuon proberen alle drie eenbrand utility aan de man te brengen. Op zich best modern natuurlijk, maar wie maakt ook alweer wat?

Eneco laat een gestript huis zien waarbij de leidingen en apparaten het geraamte vormen om ‘Toon’ aan de man te brengen; een ‘revolutionaire’ thermostaat die je energieverbruik inzichtelijk maakt en je zo moet helpen minder energie te verbruiken. Dat klinkt een beetje als Shell die zegt dat je minder moet tanken.  Maar ze zijn natuurlijk niet gek bij Eneco, dus de thermostaat kost €120 en daarbij betaal je €3,5 per maand voor de ‘Live Updates’ - onmisbaar voor het inzicht in je energieverbruik. Men zegt dat je dankzij Toon maximaal 10% kunt besparen, maar ik vermoed dat de gemiddelde consument dat niet haalt. Hoe het ook zij, het is natuurlijk wel een aantrekkelijk, onderscheidend product.

Althans, onderscheidend weet ik nog zo net niet. Essent en Nuon bieden de consument namelijk ook een revolutionaire thermostaat. Eentje die samen werkt met een app. De merken zitten elkaar reclame-technisch alleen een beetje in de weg, omdat beide apps het regelen van energie op afstand mogelijk maken.

Essent laat in zijn commercial een stel terugkomen van vakantie op Schiphol. Ze krijgen geen warm onthaal, want de familie, aangevoerd door een man gecast op zijn ogenschijnlijk licht verstandelijke handicap, heeft ze naar de verkeerde ontvangsthal geleid. In de taxi naar huis zorgen ze dus zelf maar alsnog voor een warm onthaal; ze zetten de verwarming alvast aan.

Nuon heeft de E-Manager app, een “kek hebbedingetje” waarmee je zowel inzicht krijgt in je energieverbruik (net als bij Eneco) en je apparaten op afstand kunt bedienen. Ed, gezeten in hangmat op tropisch strand, zet bij Eduard de TV, stereo, stofzuiger aan terwijl hij ligt te slapen. Haha. Piet Bambergen in zijn beste dagen kan er niet aan tippen. Nu begrijp ik dat ik – godzijdank - niet de gemiddelde Nederlander ben, maar ik vraag me wel meteen af waarom ik mijn apparaten op afstand aan wil zetten.

Het enige dat bij mij bleef hangen na het zien van al deze filmpjes, is dat ik niet meer weet welk merk welke thermostaat verkoopt. Nu geef ik toe dat ik me niet dagelijks verdiep in energieleveranciers, maar als ik als consument door de bomen het bos niet meer zie, haal ik mijn schouders op en denk ik, ach, stroom is gewoon stroom.

Is Axe watering down its fragrance?
(Amsterdam Ad Blog, 20-03-2012)

At the moment Axe (or Lynx) deodorant is broadcasting a commercial that promotes their new fragrance ‘Chaos’. ‘Unleash the chaos‘ more or less looks like any other Axe commercial, except for the fact it’s not just the girls falling blindly for the men, it’s also the other way around. The reason is that Axe is launching its new fragrance for the opposite sex too. What? Axe is becoming female? That is quite a leap; from a virile brand to a unisex brand. I do understand where they’re coming from though; it’s a typical FMCG-logic to try to grow market share by unlocking new target groups. In the short term this might work. But what will it do for the brand on the long run?

The Axe strategy reminds me of another Unilever brand, Dove. Where Axe is known as a somewhat sexist brand in the personal care market, Dove is more or less the opposite, it stands for care and respect for women, cause it is made for women with real curves. An advertising proposition that is based on an extremely smart and valid insight. Dove talks genuinely to the target group and positions the brand far away from all the other skinny model brands.

The success of Dove’s distinctive ad property tasted like more, so in 2007 the brand introduced Pro-age - a euphemism for ‘old.’ Strategically understandable, cause older women are also ‘real’ women. Then Unilever wanted more still, so in 2010 they introduced ‘Men+Care.’ This brand extension made less sense, cause the men that advertise Men+Care are wearing six-packs, instead of love handles. And that’s where I think Unilever is stretching Dove a little too far. From hydration and real women, to basically everyone. The brand attribute ‘care’ will easily survive this stretch, but care alone is not very distinctive in a category called ‘personal care’.

I understand why brand managers want to constantly grow bigger and bigger; it`s part of their corporate ethos. But to stay relevant a brand needs focus. Losing focus weakens the brand and makes it less interesting for more people. Or to put it differently: when you try to target everyone, you will target no one.

And now there’s Axe for women. By turning Axe into a unisex brand, Axe will become a brand for every single person that wants to attract the opposite sex – and have the opposite’s sex, for that matter. This is especially a dangerous move since we all know how Old Spice has very convincingly stepped in Axe`s ad property of ‘over the top female attraction’. So with this move Axe just might give away a big chunk of the manly market share it built up so consistently over the past decade. Let`s see what happens. Let`s see if Axe`s strong fragrance will slowly water down.

 

Hoeveel bank wil je hebben?
(Adformatie, 23-02-2012)

“Penny for your thoughts” hoor ik een mooie stem zingen in een nieuwe ING commercial. Ik zie een jongeman op een berg die communiceert via een ING app met zijn vriendin die met haar iPad thuis op bed zit. Jeutje, denk ik, das apart. Los van het feit dat je in the middle of nowhere natuurlijk nooit bereik hebt met je telefoon, kijk ik naar een bank die chatten met je liefje faciliteert.

Nu vind ik geld overmaken via mijn mobiel wel handig, hoor, maar als ik ergens mijn liefde niet mee zou willen delen is het wel ING. Alsof ze m’n gedachten kunnen lezen, want aan het eind wordt me gevraagd: ‘Hoeveel bank wil je hebben?’ Nou, leuk dat je het vraagt; zo min mogelijk eigenlijk. Hoe meer bank ik namelijk krijg, hoe meer ik er als belastingbetaler uiteindelijk aan kwijt ben, zo heb ik de laatste jaren wel geleerd.

In een ver verleden, toen banken nog betrouwbaar leken, had ik nog wel iets met de Postbank – de bank waar ik zat voordat hij ING werd. Ik vond de keuze om van die blauwe leeuw een advertising property te maken wel een slimme. Hij maakte de Postbank laagdrempelig en sympathiek. En gaf de bank ook een duidelijk profiel. Maar toen die leeuw op een gegeven moment oranje werd geloofde ik er helemaal niets meer van. En toen daarna Wouke van Scherrenburg in beeld kwam om half grappig, half serieus interviewtjes te doen met bekende Nederlanders, was ik helemaal de weg kwijt. Een portfolio-strategie vanaf de tekentafel was dat.

Maar goed, toen viel Lehmen Brothers en was leuk sowieso iets dat niet heel goed meer werkte. In 2010 ging ING daarom opeens luisteren naar zijn klanten. Net als bij die olijke leeuw had ik niet het gevoel dat dit nou uit de core van het merk kwam. Gewoon weer een nieuw reclamestrategietje. En vandaag is de ING een moderne bank, een bank ook die weet wat chatten is. Een bank anno nu, zeg maar. En, eerlijk is eerlijk, het is een mooie commercial. Al doet hij dus wel veel denken aan die ABN AMRO commercial waarin een opa en oma mobiel vanaf hun vakantieadres een tientje overmaken naar de kleindochter die trots een zwemdiploma laat zien.

Maar goed, ik wil zoals gezegd zo min mogelijk bank voor mijn geld. Daarom ook bijvoorbeeld geen Rabobank. Dat was ooit een bank die bescheiden was. Een bank die wist dat je hard gewerkt had voor je geld en er daarom zuinig mee omging. Maar die hebben het nu ook hoog in hun bol gekregen. Het is nu een bank met ideeën. En banken met ideeën associeer ik met ingewikkelde financiële producten. Dus ook daar blijf ik liever weg van.

Ik zou graag willen dat er een bank opstaat die zegt gewoon bank te zijn, zonder toeters en bellen. Zo zou ik ING wel willen zien als ‘de gewone bank’. Dan schaf je de bonussen af, introduceer je een hypotheek naar Scandinavisch model en investeer je je reclamebudget in een interne cursus ethiek ofzo. Zoveel bank zou ik wel willen hebben.

KLM embraces everything digital has to offer
(Amsterdam Ad Blog, 01-02-2012)

If I have to name the advertiser of 2011, I don’t have to think long; it’s easily KLM. The reason? The Royal Dutch airline launched numerous digital platforms in the past year, experimented wildly with social media, and turned Twitter into a mature customer relationship channel. If there’s one company that has fully embraced the extensive possibilities of digital communication, without forgetting about both its commercial and communication targets, it’s KLM.

Though KLM had been experimenting with digital before, its digital communication strategy took a serious turn in April 2010. The Icelandic volcano Eyjafjallajökull erupted and caused a big ash cloud to paralyze European air traffic, forcing KLM to cancel almost all flights from and towards Amsterdam airport. It was a nightmare for KLM, cause it couldn’t deal with the overwhelming amount of passengers that demanded to know how this would affect them. KLM’s call centre was overloaded and the website down. That’s when the airline decided to deploy a team that would primarily communicate via Twitter and Facebook to give constant updates on the situation. A move that proved successful.

The airline discovered how useful social media are in talking directly with the customer, while simultaneously reaching the masses. On top of that the positive feedback from the passengers made KLM realize that it also humanized its brand image. It was this insight that created enough believe within the organisation to introduce a dedicated social media department.

The first time KLM used a social medium as primary advertising tactic was in the fall of 2010. KLM briefed Boondoggle Amsterdam to “do something with Foursquare”. The agency came up with ‘KLM Surprise’, a very simple idea; passengers that checked in on one of the many Foursquare locations inside the airport were given a present, relevant to their journey. This was filmed and seeded online. Even though Foursquare is a niche app and only 28 passengers were given a present, it generated lots of buzz on Twitter and was picked up by a bunch of tech and ad blogs. The tone was set.

But it’s not just social media. After all, in principle social media are merely a ‘word of mouth’ accelerator, rather than a concept in itself. A more integrated idea using digital was brought to market by Tribal DDB; a concept that crowdsourced digital Delft Blue tiles with a personal slogan. The tiles were physically printed on a plastic foil and attached to a Boeing 777. This 'Tile & Inspire' campaign attracted 120.000 participants from 124 countries. It not just generated buzz, but also increased KLM’s brand preference in some key markets. Quite an accomplishment when the average consumer doesn’t really care what company he or she flies.

Around the same time Tribal also created a platform for KLM, called Travlr: a website that inspires travellers by aggregating geo-tagged photo’s and films from the web presented on a navigable map of the world. When you search for a certain activity -- e.g. hiking -- the map show where it’s done. The perfect brand utility to sell KLM flights. What I especially like about it is that KLM started it in beta, showing it is not afraid to experiment and that it understands the digital age. At the same time it proves KLM understands the importance of continuous forms of communication.

Another tactic was the announcement of KLM’s 24/7 Twitter service – get an answer within the hour and a solution within the day. Amsterdam agency Lemz came up with a ‘Live Reply’ on Twitter by filming 140 KLM employees from the top of a hangar, each physically holding up one letter of the complete answer to some of the tweeted questions. The 64 personalized films answering the more original questions were posted on Twitter and thus naturally shared through this channel. Within no time it became the trending topic on Twitter. The medium was the message.

Finally, KLM’s most sexy concepts of 2011 was the 'KLM Passport' app “turning journeys into movies”, created by Muse and Ice Mobile; an app that uses selected travel pics on your iPhone and turns them into a richly animated movie. A brand utility that makes KLM relevant and loveable, and on top of that an experience brand, rather than a simple seller of airline seats. Something that not just gives KLM a state of the art image, but also builds a long term relationship with its passengers.

What finally stood out in KLM’s comms strategy is that it works flexibly with a wide range of specialized agencies; selecting the best in town to create very different forms of communication, while at the same time making sure the different tactics have more or less the same look and feel and tone of voice. Quite an opportunistic strategy - from an agency's point of view - but if KLM is one of the more innovative communicators in the market, this might just become the new standard.

 
 
Lidl gaat nergens echt voor
(Marketing Tribune, 08-11-2011)
Vorige maand ging mijn column over Lidl die voor Light gaat. Ik schreef toen onder andere dat ik Lidl’s groene positionering een ‘opportunistisch staaltje reversed engineering’ vond. En ik adviseerde de supermarkt niet zo ingewikkeld te doen en gewoon ‘eenvoud’ te omarmen als merkpropositie. Dat is immers iets wat al die “cabareteske” supermarkten in ieder geval niet kunnen claimen.
 
Ik had dus even een vrolijk momentje toen ik vorige week een nieuwe banner tegenkwam die begon met “Eenvoud”. Hoppakee, had ik het dus toch goed gezien! Wat ik minder goed had gezien, was dat de supermarkt goed in vers blijkt te zijn. Althans, de banner luidt: “Eenvoud. Dus verser. Dus goedkoper. Dat is de filosofie van Lidl in een notendop. Daarom zijn we weer als beste getest” Lidl blijkt namelijk de beste super in groente en fruit te zijn.
 
Nu bedoelde ik met vers eigenlijk het soort vers dat een koelkast nodig heeft, maar dat maakt allemaal niet zoveel uit, want deze banner spreekt wederom in raadselen. Want hoezo betekent eenvoud automatisch verser? En hoezo betekent verser automatisch goedkoper? Ik ben natuurlijk geen supermarktspecialist, maar durf met gemak het tegenovergestelde te beweren: eenvoud leidt niet tot vers, want vers is logistiek nogal ingewikkeld. En vers leidt niet tot goedkoper, want vers is nu eenmaal duurder dan niet vers. Hoe is het mogelijk dat je besluit landelijk te gaan adverteren, maar vervolgens helemaal niet nadenkt over wat je gaat zeggen.
 
Wat daarnaast ook van weinig strategisch inzicht getuigt, is dat men per maand van ‘filosofie’ verandert. De vorige maand werd mij immers nog verteld dat Lidl helemaal voor het milieu ging. En nu staat Lidl gelijk aan eenvoud (en dus aan vers en dus aan goedkoper). Wat wil je dat ik onthoud? Hoe meer proposities je de consument toewerpt, hoe groter de kans dat hij er geen vangt.
 
Vooruit, misschien is mijn beeld van de Lidl een beetje achterhaald – ik kom er niet dagelijks. Misschien is het niet meer de supermarkt van de pallets met blikvoer. Maar toch zou ik Lidl (nogmaals!) willen adviseren om eens goed na te denken over een merkpositionering die dicht bij de kracht van het bedrijf staat. En als je dat dan gedaan hebt, dan hoef je het alleen nog maar op consistente, eloquente en liefst ook een beetje creatieve wijze te communiceren. Dat is eigenlijk eenvoudiger dan je denkt.
 
Lidl gaat voor Light!
(Marketing Tribune, 11-10-2011)
Vorige week werd mijn aandacht getrokken door een bijna beeldvullende banner op volkskrant.nl die sprak: “Lidl gaat voor Light!” Allitereert lekker, maar waarom gaat Lidl voor weinig calorieën, dacht ik onmiddellijk. En wie probeert zich nu nog te onderscheiden met ‘light’? Dan kies je toch net als al die andere zogenaamd bewuste supermarktketens voor ‘biologisch’ ofzo? Al snel zag ik natuurlijk het verkreukelde PET flesje en het groene boompje, zodat ik wist dat de Duitse supermarktketen - bekend van zijn Oost Europese logo, de pallets gevuld met blikvoer en de schreeuwend lage prijzen – mij iets wilde vertellen over het milieu.
 
“Wij vinden het belangrijk verantwoord om te gaan met de wereld om ons heen. Met het motto ‘Op weg naar morgen’ geven we hier uiting aan”. Op weg naar morgen? Heeft Lidl een van haar onderbetaalde vakkenvullers – of palletplaatsers zo je wil – gevraagd even een motto te bedenken in de koffiepauze? ‘Op weg naar morgen’ zegt toch net zo weinig over het milieu als het woord ‘light’?

Enfin, de copy gaat verder: “Lidl is 50% zuiniger! Onafhankelijk onderzoek heeft uitgewezen dat een Lidl supermarkt ruim 50% minder energie verbruikt dan een gemiddelde andere supermarkt. Deze enorme besparing is het resultaat van ons concept waarin eenvoud centraal staat. Zo worden in een Lidl filiaal nooit meer koelingen gebruikt dan echt noodzakelijk en is er geen overbodige verlichting. De verlichting die we wel gebruiken is uitsluitend de meest energiezuinige TL 5 verlichting”. Wow, wat een opportunistisch staaltje reversed engineering. Als verse producten en een aantrekkelijke winkelinrichting niet je sterkste kanten zijn, dan kom je toch heel erg snel uit op weinig koeling en TL verlichting? Dat heeft helemaal niets met milieubewustheid te maken. Het eenvoudprincipe bestond bij Lidl al toen Al Gore bij wijze van spreken nog in een SUV reed.
 
Waarom ook zo ingewikkeld? Accepteer gewoon dat je goed bent in de kleine marges. Sterker nog; omarm ze! Met een economie die faliekant onderuit dreigt te gaan en een overheid die aan alle kanten moet bezuinigen is soberheid toch een boodschap die iedereen aan moet kunnen spreken? Verzin een alternatief voor ‘C&A Juist nu’ of – om binnen de supermarktbranche te blijven - ‘Geen fratsen dat scheelt’. Want wat de concurrentie met hun reclamisch cabareteske gezelligheid ook beweren over de prijs, eenvoud kunnen ze in ieder geval niet claimen. Met eenvoud als merkpropositie verbind je je kerncompetentie met de tijdsgeest op een geloofwaardige manier. 

Maar wat je ook kiest als merkbelofte, het moet wel slim en aantrekkelijk vertaald worden in reclame. En paradoxaal genoeg moet je het eenvoudprincipe daarvoor even opzij zetten. Een goede campagne vergt namelijk een goed reclamebureau en daar mag je nou net niet op bezuinigen.
 
L'Oreal, de Men Expert?
(Marketing Tribune, 25-08-2011)
Sean Connery, zo hoor ik vaak, is het levende bewijs van een man die, naarmate zijn rijpheid toeneemt, steeds aantrekkelijker wordt. 'Een hardnekkig misverstand' zo zal de brand manager van L’Oréal Men Expert beweren, want hij is er bij gebaat dat we er allemaal zo glad uit willen zien als Julia Roberts en Christy Turlington – dat wil zeggen, nádat ze ‘geprepareerd’ zijn door L’Oréal. Gelukkig voor Men Expert heeft de metroman het afgelopen decennium al het nodige pionierswerk verricht; mannen hoeven zich inmiddels niet meer te schamen voor een potje zalf in hun badkamer. Maar vóórdat Men Expert net zo populair is als Axe deodorant, is er natuurlijk nog wel een hoop werk aan de winkel.

Uitgeprobeerd
Zelf heb ik het overigens al eens geprobeerd, een mannencrème. Niet omdat ik rimpels kreeg, maar omdat ik werkte op concurrent Nivea For Men en ik natuurlijk moest weten waarvoor ik reclame maakte. Dat proberen deed alleen niet veel goed, omdat ik erachter kwam dat de vetheid van mijn huid zich omgekeerd aanpaste aan de vetheid van de zalf - net zoals dat bij je haar gebeurt in combinatie met shampoo. Het kwam er dus op neer dat mijn gezichtshuid helemaal geen hulp nodig had.

Humor?
Hoe het ook zij, lange tijd maakte Men Expert gebruik van de diensten van Pierce Brosnan om zijn crèmepjes aan de man te brengen. Maar net als die andere James Bond, kreeg ik bij hem toch vooral het gevoel dat een knappe man best wat rimpels kan gebruiken. Waarschijnlijk is L’Oréal recent tot hetzelfde inzicht gekomen, want sinds kort gooit men het daar over een hele andere boeg. De voor de hand liggende, typisch cosmetische en daarmee voor mij ongeloofwaardige reclame heeft men ingeruild voor humor. Althans, een poging daartoe (zie filmpje, einde column).

Creatieve armoede
Om het eerst maar even over de vorm te hebben; wat ik er erg jammer aan vind, is dat men vrij letterlijk de ongekend succesvolle reclamestijl van Old Spice heeft gekopieerd – al is deze man natuurlijk lang niet zo onweerstaanbaar als Isaiah – 'I’m on a horse' – Mustafa. De brand manager van Men Expert heeft waarschijnlijk tegen zijn bureau geroepen: 'Zo’n man die direct tegen onze consument praat, dat wil ik ook!' Maar de creatieve armoede rijkt nog verder; ook door Dove – eveneens een 'personal care' merk – liet men zich 1-op-1 inspireren. De commercial parodieert namelijk de extreem succesvolle Dove Evolution viral waarin een 'gewone' vrouw langzaam tot een model wordt gephotoshopt.

'Kut, ik word oud'
Los van het feit dat ik het niet erg chic en ook niet A-merk-waardig vind van L’Oréal om zo letterlijk de reclame-ideeën van je concurrenten te jatten, denk ik wel dat het strategisch een goede keus is om de woorden 'Men Expert' op deze toegankelijke manier betekenis te geven. 'Hè hè', zal de beoogde doelgroep denken, 'L’Oréal begrijpt ons tenminste.' Net zoals Axe ooit begreep dat mannen alleen maar geïnteresseerd zijn in lekkere wijven. En zo boort het merk een hele nieuwe gebruiker aan. Eentje die minder dan de metroman zal lijken op James Bond. Maar wél eentje die onvermijdelijk op een dag in spiegel kijkt en denkt 'kut, ik word oud'.


De trends in Cannes: sharing & caring
(Marketing Tribune, 28-06-2011)
Ik was dit jaar voor het eerst naar Cannes, want wilde nu eindelijk wel eens zien waar dit bombastische prijzengala nou precies om te doen was. En ik moet zeggen, het was de moeite waard. Los van het plezier dat ik beleefde aan de vele decadente feestjes, was het erg inspirerend om zoveel vakgenoten te spreken en zoveel kippenvel opleverend werk te mogen bekijken. Ik ben dus definitief bekeerd. En dat klinkt misschien wat religieus, maar als je van reclame houdt, dan is niets fijner dan een (kleine) week ondergedompeld te worden in het beste werk ter wereld.

Maar heb ik er eigenlijk nog wat opgestoken? Jazeker. Wat allereerst opviel; ‘sharing’ is de norm geworden. Een goed geïntegreerde campagne heeft altijd social media aan zich verbonden. Dat betekent in Cannes overigens niet slechts smeken om ‘geliked’ te worden op Facebook. Essentieel is natuurlijk dat je boeiende (lees: vermakelijke of nuttige) content maakt die de moeite is om geshared te worden. Nike’s ‘Write the future’ (Wieden+Kennedy Amsterdam), was op zichzelf al een epische film – naar verluid de duurste reclameproductie ooit – en werd daarom beloond met een Grand Prix in de categorie ‘Film’ en een handvol andere leeuwen voor onderdelen als script, editing en muziek. Dat was dus voor de kwaliteit van de film. Omdat de film daarnaast ook nog 40 miljoen online impressies opleverde dankzij een slimme Facebook strategie, won de case ook goud in zowel ‘Integrated’ als ‘Cyber’.

Wat me ook opviel is dat er steeds meer reclameconcepten worden bedacht (en beloond) die de wereld proberen te verbeteren. Dat is op zichzelf niets nieuws. Het Amsterdamse bureau Strawberry Frog roept al heel lang dat haar reclame een ‘cultural movement’ beoogt te zijn die iets bijdraagt aan de samenleving. Dat deed het bureau bijvoorbeeld door voor Pampers een online platform voor moeders te bouwen waarop kennis gedeeld kan worden over het moederschap. En Mark Woerde van het Amsterdamse Lemz - die onlangs het boek ‘How advertising will heal the world and your business’ publiceerde – bedacht samen met zijn bureau ook al een tijd geleden de nationale buitenspeeldag voor Omo en de burendag voor DE. Deze bureaus waren de voorlopers. Maar we lijken nu in een stroomversnelling te komen.

In Titanium – werk dat boven alles uitstijgt en daarmee de zwaarste leeuw die er te winnen valt - gingen twee van de drie Leeuwen naar campagnes die inspelen op het maatschappelijk bewustzijn van de consument – of beter: de mens. Zo bedacht DDB Stockholm voor Volkswagen ‘The speed camera lotery’ - deel uitmakend van de al eerder bedachte ‘fun theory’. Het idee is even simpel als sterk; op een plek waar je slechts 30 mocht rijden werd een camera geplaatst die je snelheid toonde onder de naam ‘Snelheidsloterij’. De hard rijders kregen een bon. En degenen die zich aan de snelheid hielden een kaartje op de mat dat ze meededen aan de snelheidsloterij. Het geld dat werd verdiend met de hardrijders werd vervolgens herverdeeld onder de winnende ‘zachtrijders’. De gemiddelde snelheid daalde van 32 naar 25 Km/uur.

De tweede Titanium Leeuw ging naar de Roemeense chocoladereep ‘Rom’. McCann-Erickson Boekarest bedacht een hoax voor het merk door de Roemeense vlag op de wikkel te vervangen door de Amerikaanse vlag. Het bureau werd geïnspireerd door het feit dat de vertrouwen in het land onder bevolking tot een dieptepunt was gedaald. In een commercial legt een zakenman gezeten in een Amerikaanse wolkenkrabber met dik Amerikaans accent uit waarom de reep een gedaantewisseling heeft ondergaan; zodat de Roemenen eindelijk weer eens kunnen schitteren – net zoals de sterren op de Amerikaanse vlag. Het gevolg was een heuse storm van protest gevoed door patriottistische gevoelens. Toen werd onthuld dat het allemaal om een grap ging, was het Roemeense volk zich opeens weer bewust van haar liefde voor het eigen land. De campagne won ook twee Grand Prix (!) in ‘Promo & Activation’ en ‘Direct’. De campagne scoorde overigens niet alleen in Cannes, ook het merk Rom stond in Roemenië in één keer weer op de kaart.

Dat ‘social sharing’ een belangrijke factor is in het succes van vele campagnes wisten we natuurlijk al. Maar combineer dit met het feit dat steeds meer merken zich realiseren dat een maatschappelijke bijdrage ook lucratief kan zijn en we gaan volgend jaar heel wat cases zien die ‘sharing’ en ‘caring’ combineren. Kan niet wachten, want ik ben er zeker weer bij.

Amsterdam agencies become their own clients...
(Advertising Age, 13-06-2011)
...by Bringing Products to Market

Bikes, Cookies, Champagne and Mobile Phones Get Innovative Twists From Inspired Creatives, but Making Products Was Not as Easy as They Thought
What do bicycles, cookies, champagne, and mobile phones have in common? Not much, except that all these products were introduced in the market by Amsterdam advertising agencies. I’ve always been fascinated by ad agencies creating products, instead of ideas. What drives them? Creativity, obviously. But is there more? Business? Money? PR? And is this kind of entrepreneurship manageable if your core business is advertising? To find out I had a chat with the founders of Johnny Loco bicycles, John Altman cookies, Zarb Champagne, and John’s phone.

In 2005 Arnaud van der Vecht and Hugo Rütter from New Message saw a gaping opportunity in the Dutch bicycle market. Since most bicycles looked as if solely manufactured to bring the consumer from A to B, there was clearly room for a lifestyle brand. So New Message decided to build an American cruiser – a bicycle with expressive styling. Advertising the product was the easy part; the agency tactically placed its bicycles at beach bars, gyms, and trendy shops. When they heard Paris Hilton was in Amsterdam, half an hour later, a pink cruiser was dropped off at her hotel. Making a durable product proved more difficult though; it took a dedicated team several years to be able to compete with the established brands on quality. Eventually the effort has paid off - literally; today thousands of bicycles are sold every year in Europe, South Africa, and the US. The most rewarding thing though, says Rütter, is not the money it makes, but the fact that the agency shook up the Dutch bicycle market: “We changed an old fashioned market into a hip, colorful industry with several new brands and bicycle models”.

Onno Lixenberg and Hajo de Boer from Gummo wanted to introduce their own cookie brand ever since having worked for a Dutch cookie manufacturer. Just like New Message they had the feeling the market could use some spice. And just like New Message it was an American product that inspired them; on a Californian beach they bumped into John Altman, a hippy giving away homemade cookies. It was not just the authentic taste that struck them, but also Altman’s positive and carefree attitude. When they asked him, is it o.k. if we take home your recipe, he spoke the legendary words “Sure dude, spread the love”. These words, together with an Altman-like character now decorate the freshly designed packaging. While the product is attractive enough to sell itself, finding shelf space at the big supermarkets was a struggle - with a small product margin, you need to fight hard for a decent market penetration. Lixenberg sounds optimistic though; “This year Altman’s organic wine in a carton will enter the market and we have many more brand extensions on the drawing table”.

THEY -- Ad Age’s ‘Best small agency in the world’ in 2009 -- came up with the idea to launch a Champagne brand when drinking it one Friday afternoon in 2009. You can almost guess what they were thinking: “Why do all Champagne bottles look the same?” It was the traditionalism of the market that triggered the agency to change the rules of the game, THEY’s Roland van der Vort explained to me. The result is Zarb (French slang for bizarre), Champagne with unconventional bottle designs by different artists -- e.g. Lady Gaga’s dress designer. But just like New Message, THEY didn’t know much about the category. And getting permission from the Champagne authorities to bottle the luxurious drink wasn’t a walk in the park. Once the product was there though, PR and some unorthodox advertising - the latest designs were introduced in a pop-up store – did the rest. It took the brand only one year to be distributed in six countries – with five more in the pipeline.

Seemingly the most difficult innovation was the introduction of yet another mobile phone in an overcrowded market. Last year Hein Mevissen en Diederiekje Bok from John Doe launched John’s Phone, the world’s most basic cell phone that focuses on form, rather than function. Still, manufacturing it was a painstaking process. It took the agency four long years of travelling back and forth to China to manage the production -- in the beginning phones came back two times as big or suddenly with a radio inside. But it was worth the airmiles; thanks its unique positioning, clean design, and sharp price, the phone has been an instant hit and is selling itself around the world – for a big part through online word of mouth.

So what do all these agencies have in common? Firstly, all of them are small, independent agencies, which allows them to be truly entrepreneurial. Secondly, all agencies have widened their horizon internationally, met new interesting parties, and picked up a ton of practical knowledge and free PR. Thirdly, a unique selling point is more important than a big advertising budget. And, finally, you need passion, focus, and drive to be innovative. Spotting an opportunity is easy, but ceasing it is very hard work. Like Thomas Edison said: “Opportunity is missed by most people because it is dressed in overalls and looks like work”. So creating new products can definitely be a profitable business for advertising agencies. The question is however: are you willing to wear the overall?

De gespleten persoonlijkheid van de Volkskrant
(Marketing Tribune, 25-05-2011)
Volkskrant.nl is mijn belangrijkste, want dagelijkse nieuwsbron op het internet. Het valt me regelmatig op dat het online nieuws geschreven wordt door een minder journalistieke en taalvaardige redactie dan het ‘papieren’ nieuws. Zo kom ik op de ‘voorpagina’ regelmatig gecopy-paste ANP berichten tegen – met dubbele alinea’s en rommelig geschreven. Daarnaast valt me op dat online de koppen vaak net iets tendentieuzer zijn en er meer smeuïg ‘gossip’ nieuws wordt gebracht. Het wat plattere karakter van de digitale krant wordt vervolgens nog eens versterkt door al die irritant knipperende, beeldvullende banners.

Op zich geen probleem zou je zeggen, Volkskrant.nl is namelijk nog steeds mijn dagelijkse nieuwsbron. Toch is het vanuit merkstrategisch oogpunt redelijk onverstandig om onder één en hetzelfde merk twee kwalitatief verschillende producten te brengen. Als ik als consument namelijk het online product consumeer en daarvan inhoudelijk niet onder de indruk ben, dan straalt dat af op het papieren product. Dit terwijl inhoud (kwalitatief, duidend, opiniërend, etc.) nu juist de USP is van de papieren krant. Het digitale product zal mij dus niet snel verleiden om het papieren product te kopen – ook al prijkt boven beide uitgaven hetzelfde merk. Bij een tiener, die een papieren krant anachronistisch vindt, zal deze conversie al helemaal niet optreden.

Het gevaar van de gespleten persoonlijkheid van de meeste kranten, is dat online nieuws een commodity is geworden waar de consument niet meer voor wil betalen. Het geld wordt tegelijkertijd nog steeds primair met de papieren krant verdiend. En dat maakt weer dat er onvoldoende geïnvesteerd wordt in de digitale (gratis) krant. Een gevaarlijke patstelling.

Maar er is meer aan de hand. Terwijl de kranten hun beste content niet gratis weg willen geven op het internet, ontstaan er online steeds meer kleinere nieuwsmakers die veel verstand hebben van weinig (i.p.v. weinig van veel) en daarover redelijk kwalitatieve, gratis content maken. Over deze groep gaf ik laatste een gastcollege aan de Erasmus universiteit, onder de titel de ‘Long Tail Journalist’. Deze nieuwsmakers uit de long tail, concurreren online direct met de traditionele titels. Want als ik op zoek ben naar specifiek (niche) nieuws, ga ik niet naar Volkskrant.nl, maar volg ik een specialistisch blog of magazine of gebruik ik Google. En ook via sociale media bereiken mij een hoop artikelen gratis en organisch - want gebaseerd op mijn specifieke interesses.

Een tip die Jeff Jarvis - professor aan de New York School of Journalism – de traditionele media daarom altijd geeft, is “Do what you do best and link to the rest”. Oftewel, gebruik de kracht van de long tail. Als de Volkskrant namelijk wil dat ik ooit nog ga betalen voor hun nieuws, dan verwacht ik een micro-abonnement met specialistisch nieuws - alles over marketing bijvoorbeeld. En dan betaal ik dus alleen voor wat ik consumeer. Van de Volkskrant verwacht ik vervolgens dat het een kwalitatieve selectie maakt van het beste marketingnieuws op het internet. Dat is de enige manier waarop het voor mij een sterk journalistiek merk zal blijven.

Transavia pays peanuts and gets monkeys
(Amsterdam Ad Blog, 14-04-2011)
In a recent crowdsourcing campaign airline Transavia asked the consumer to come up with a new slogan for the company – the prize: one year of free travelling around Europe and your slogan on a plane. An impressive 110,000 slogans were submitted. But to everyone’s surprise the top 10 nominated slogans were ridiculously bad. All of them were lame, hollow, and generic. Among them: “A good story”, “The choice of Holland”, and “We fly for you”. The eventual winner “Makes you happy” only makes some sense when referring to the fact that it made me laugh out loud.

This campaign is a strong example of bad advertising. Not because it didn’t create rumour around the brand, cause it did – though a fair amount of negative rumour. What is really said about this campaign is that Transavia doesn’t have a clue what its own position in the market is. Why would Transavia make me happy? It is a low cost carrier, which automatically means the product and service is limited; there’s a minimum of leg room, you don’t get a drink (let alone a newspaper), and the airline buys the cheapest airport slots so that you have to fly at 6 in the morning. That’s not making me happy. What is really sad about this campaign is that Transavia doesn’t have a clue what its own position in the market is

The only reason why Transavia could make me happy is that it’s cheap and it’s getting me out of Holland. But that’s exactly what every cheap ticket in the market does. If KLM offers me a similar deal, I’m just as happy to fly with them. In fact, since KLM offers more service, I’d rather fly with them. Transavia crowdsourced itself a slogan that doesn’t tell me anything about the brand.

Don’t get me wrong, I don’t have anything against crowdsourcing. We all know that the crowd – when managed properly - is a smarter and more creative bunch than some of the best specialists. You can ask the crowd to create an encyclopaedia that in accuracy borders an old school encyclopaedia - created solely by experts. And even the FBI, extensively trained to solve complicated murder cases, recently asked the crowd to solve a puzzle in the form of an encrypted note found on a dead body.
We all know that the crowd – when managed properly - is a smarter and more creative bunch than some of the best specialists

The problem with this campaign is that even Transavia doesn’t know what it is looking for. So it basically asks the consumer to articulate its brand essence. But the average consumer is not a marketer, strategist, conceptor, and writer - all at the same time. So if you want some useful output, you better write a proper briefing. Even in the ‘real’ advertising world it works like that. What’s more, the average consumer is not extremely creative. So if you want an above average slogan, it needs to be lucrative for me to participate. One year of free travelling is not lucrative; it will only cost me money. So next time when using the crowd for commercial purposes, remember: you pay peanuts you’ll get monkeys.
Een koffiemomentje voor Douwe Egberts
(Marketing Tribune, 07-03-2011)
Koffie is big business. Het is de meest gedronken drank in Nederland - gemiddeld drinken we zo’n 4 koppen per dag. Jarenlang waren we tevreden met filterkoffie, maar in het afgelopen decennium heeft zich een kleine revolutie afgespeeld. Het waren Douwe Egberts en Philips die 10 jaar geleden voor het eerst op de barricade klommen. Met het innovatieve merk Senseo wisten ze het gemak van de koffiepad te combineren met het crema gevoel van de espresso. En daar betaalde de consument gretig een dubbeltje in plaats van een stuiver per kopje voor.

Nestlé deed er vervolgens een schepje bovenop met het merk Nespresso. Dankzij veel betere koffie, een strakker apparaat, een luxere uitstraling en – niet onbelangrijk - George Clooney als advertising property, wist het Zwitserse merk net als Senseo in no time de markt te veroveren. Voor deze kwaliteit betaalde de consument maarliefst 35 cent per kopje – zeven keer de prijs van een ouderwets bakkie pleur. Tegelijkertijd waaiden de Starbucks-achtige koffiebars over uit Amerika – waar je tegenwoordig gezien mag worden voor 70 keer de prijs van een old school kopje filtermaling. Betere koffie werd de norm.

Het succes van Senseo begon te stagneren toen andere partijen haar koffiepads begonnen na te maken. Ettelijke rechtszaken konden niet voorkomen dat Douwe Egbert het alleenrecht op de koffiepad verloor. En zo was er opeens weer werk aan de winkel; het merk Douwe Egberts moest zichzelf weer als superieur A-merk positioneren om de strijd in het schap te kunnen te winnen. Vorig jaar werd daarvoor de propositie ‘Goede ideeën beginnen met goede koffie’ geïntroduceerd. Reinout Oerlemans liet zien hou hij dankzij Douwe Egberts koffie op het idee kwam om ‘Komt een vrouw bij de dokter’ van Kluun te verfilmen – de rest is geschiedenis zo weten we.

Op zichzelf wel een mooi inzicht. Want als je even je werk neerlegt om een kop koffie te drinken, dan wordt de kans op een eureka momentje inderdaad sterk vergroot. Het enige verraderlijke eraan is dat reclame aan het maken bent voor de gehele categorie. Helemaal omdat ‘goede koffie’ inmiddels de norm is. Toch zou het wel kunnen werken. Mits overigens het ‘goede ideeën’ thema volledig omarmd wordt, zodat de consument Douwe Egberts blindelings gaat koppelen aan goede ideeën. Men zou bijvoorbeeld ‘Het beste idee van Nederland’ multimediaal kunnen kapen – net zoals Douwe Egberts dat ooit deed met de succesvolle Burendag.

Een groter probleem van deze propositie is dat Douwe Egberts hem in haar laatste commercial gekoppeld heeft aan Senseo - Alain Clark en Jacqueline Govaert komen dankzij het merk op het lumineuze idee om samen een nummer op te nemen, nadat ze toevalligerwijs allebei in dezelfde opnamestudio even een Senseootje doen bij gebrek aan inspiratie. Los van het feit dat dit héél erg reclamisch voelt en dus weinig geloofwaardig, heeft Senseo tegenwoordig helemaal geen kwalitatief imago meer. Het is het fastfoodmerk onder koffie’s geworden; cheap, snel en met name bestemd voor het stillen van cafeïnehonger. Daarmee slurpt Senseo dus alle kwaliteit uit Douwe Egberts.

Douwe Egberts staat dus voor een dilemma. Of Senseo krijgt een kwaliteitsboost – zowel in smaak als uitstraling – zodat het ook echt ‘goede koffie’ wordt. Of het merk Douwe Egberts wordt slechts nog autonoom gebruikt, zodat het sterke, kwalitatieve imago niet langzaam oplost in de matige koffie van Senseo. Succes met de beslissing. En drink er vooral een goede kop koffie bij, zou ik zeggen.

Kansloze Loterijreclame
(Marketing Tribune, 04-02-2011)
Ruim 5 miljoen mensen schijnen jaarlijks mee te doen aan de lotto en/of loterij. Het is dan ook niet zo gek dat je wordt dood gegooid met reclame die het geluk van het winnen ervan in beeld brengt. Men realiseert zich alleen niet dat het winnen van een berg geld helemaal niet gelukkiger maakt. Meer geld betekent meestal namelijk ook meer zorgen. Als je bijvoorbeeld een Maserati koopt van je gewonnen geld, kom je er opeens achter dat zo’n apparaat schreeuwend duur in onderhoud is. Daarnaast heeft die reusachtige tuin natuurlijk ook een tuinman nodig. En als je in de kroeg bent met je vrienden, verwacht opeens iedereen dat je de hele avond rondjes geeft. Tenminste, de vrienden die je nog over hebt, want de helft ervan blijkt alleen nog maar geïnteresseerd in je geld of is stinkend jaloers.

Maar gelukkig hebben ze daar nu een oplossing voor: de Vrienden Loterij. Het concept is simpel; als jij wint, winnen je vrienden ook. In de commercial laten ze het verschil zien: “Als Dennis vroeger de loterij won, dan zag dat er ongeveer zo uit…” Dennis springt op van de bank en zijn vrienden blijven chagrijnig zitten. Vervolgens laat de commercial zien hoe het eruit ziet als je meedoet aan de Vrienden Loterij; Dennis is blij en als z’n vrienden ook.

Het lijkt dus een hele sociale loterij die Vrienden Loterij, maar wat mij nou zo ingewikkeld lijkt, is dat je zelf moet uitkiezen welke vijf vrienden meedelen in je prijs. Dat betekent namelijk automatisch dat je ook moet bepalen wie niet je vrienden zijn. Bij de Vrienden Loterij weet je dus in ieder geval zeker dat je vrienden kwijtraakt.

Gelukkig zal ik dat probleem overigens sowieso nooit hebben, want sinds mijn wiskundeleraar mij op de middelbare school uitlegde dat je statistisch gezien nooit geld overhoudt aan een loterij, ben ik nooit in de verleiding gekomen om mijn geld weg te gooien. Ik hou er trouwens sowieso niet zo van om mijn lot in andermans handen te leggen.

Wel kan ik me goed voorstellen dat mensen het fijn vinden om te fantaseren over het winnen van de loterij. Totdat de uitslag bekend maakt dat je niet gewonnen hebt, kun je dat in ieder geval uitgebreid doen. En daarom vind ik de nieuwe commercial van de Staatsloterij zo sterk; die beeldt uitsluitend het fantaseermoment uit. Het moment dat je kijkt of een Ferrari in je garage past of het moment dat je de tuin van een huis dat te koop staat - en dus nog helemaal niet van jou is - aan het indelen bent.

Maar weet je wat nou zo grappig is, dat fantaseren kun je ook doen zonder een lot te kopen. Wat zou je doen met – pak ‘m beet – 10 miljoen? Geef daar maar eens antwoord op en voordat je het weet zie je jezelf zitten op de veranda van je huis in Zuid Spanje. Wat dat betreft kun je al die kansreclame beter negeren. Fantaseren kan ook zonder loterij. En het grote voordeel is dat je in ieder geval niet het risico loopt – hoe klein ook – je vrienden te verliezen.

Amsterdam becomes hub for small, collaborative agencies
(Advertising Age, 12-01-2011)
In the fourth wave of international advertising, big isn’t beautiful anymore
As a freelance planner I not only work with many different advertising agencies, I also regularly team up with other freelancers and small, specialized shops to work directly for advertisers. Since I love working in this dynamic way, I was happy to come across an article -- written by Robert Röling, a PhD student at the University van Amsterdam -- that says that Amsterdam’s international success in attracting both creative talent as well as foreign agencies, is due to the increasing importance of small, flexible, independent agencies. Since Amsterdam has so many of these agencies, it is now the place to be.

The article describes the history of international advertising in four big waves. The first wave started in the 1920s, when the industrial revolution gave American advertising an enormous boost. It was when Madison Avenue became the epicenter of international advertising and agencies like JWT, DDB, and Ogilvy quickly expanded their businesses – also overseas. The second wave dates from the 60s, when a new creative élan made London and Paris the place to be. In these cities, hard selling changed into soft selling, to persuade consumers in more friendly ways. Agencies like Saatchi, Lowe, Publicis, and TBWA obtained global roles. The third wave emerged in the 80s when diversity in both products and consumer behavior forced agencies to become smaller and more flexible. Bartle Bogle Hegarty, Crispin, Porter + Bogusky, and Wieden & Kennedy entered the international arena.

Today we’ve reached the fourth wave of international advertising. According to Röling, this fourth wave is basically a continuation of the process of deconsolidation that started in the 80s. What makes it different though, is that the internet so radically changed both the media landscape and the role of the consumer. And because advertising has become so complex, the agencies have less and less knowledge in-house to create multi-disciplinary campaigns. The more dynamic agencies that work with several external specialized parties thus form the new standard.

After reading this article, I realized that several new names with a collaborative agency model opened their doors in 2010. Collaboration is not new of course, but these agencies explicitly present their selves as a small team of ad professionals, working with a varying team of external (freelance) specialists - each mastering a different part of the wide advertising spectrum. In other words, these agencies don’t pretend to be bigger than they are.

One of the first agencies in Amsterdam to embrace this model was 60 layers of cake. It was founded in 2006 by Rodger Beekman. In the beginning, the agency found it difficult to sell its proposition, but when Beekman read We Think by Charles Leadbeater, on collaborative creativity, he knew he was on the right track. About the advantages over the big network agencies, Beekman says: “The funny thing is that big network agencies always try to present their selves as one-stop-shops, while they really aren’t. They are a group of different agencies with different specialties that might share the same building, but in the end often see each other as competitors. That doesn’t sound like collaborative creativity to us. Our model genuinely offers a one-stop-shop.”

Recently two agencies with similar models opened their doors in Amsterdam; One Big Agency and The Big Mix. The fact that both agencies use ‘Big’ in their names illustrates the paradox of collaborative creativity; you don’t need many employees to be a big agency anymore. Harry Kramp and Wouter Kiewit de Jonge are The Big Mix. Kramp, a highly respected copywriter with over 40 years of experience, worked at JWT Amsterdam (and its predecessor) the most part of his life. When I asked Kramp what motivated him to make this radical switch, he answered: “Clients are not willing to pay the exorbitant fees anymore that the traditional agencies need to charge to support their incredible overhead. Their business model is outdated. That’s why we intend to stay lean and mean. And since we understand advertising and know a big network of specialists, we only hire specific external talent when needed”.

But it takes two to tango. It’s not just the agencies becoming more flexible; the clients have become savvier and pickier, because they use today’s market transparency to find the best deal, both in quality and price – just like the consumer does. And that might prove to be the most serious threat for the agencies that need to support too many employees that aren’t always making money.

As in any market, there will always be Keynesian cycles that make advertising agencies grow and shrink, but the fourth wave of international advertising might just be strong enough to permanently change the agency model, as we’ve known it since Madison Avenue more or less invented it. It won’t be about how big you are anymore; it will be about how efficiently you collaborate with others.

Spa Reine; de zwangere vrouw die rookt
(Marketing Tribune, 06-12-2010)
Eind jaren 80 werd bronwater - in de slipstream van de hele fitness trend – opeens erg populair. Het gebottelde drankje werd hét product van de knappe, succesvolle yub. En toen in de jaren 90 de revolutionaire PET fles werd uitgevonden, groeide het kleine bronwaterflesje zelfs uit tot een heus fashion item. Tijden zijn echter aan het veranderen, zo constateerde ik laatst. Zo kwam ik op Facebook de actie ‘We tap water’ tegen die 10.000 Facebook fans probeert te verzamelen en daarmee de Koninklijke Horeca Nederland wil vragen om haar leden (lees: de horeca) over te halen kraanwater op het menu te zetten. Aangezien we in Nederland zo’n beetje het beste kraanwater ter wereld hebben en ik in een restaurant altijd voorzichtig vraag of ze ook kraanwater ‘doen’, klikte ik op ‘Like’ en had men er weer een fan bij.

De horeca doet natuurlijk liever niet mee aan deze actie, want de meeste marge wordt nu eenmaal gemaakt op de gebottelde dranken. Maar als ik het Amerikaanse filmpje ‘The story of bottled water’ (zie onderaan deze column) mag geloven, dan wil je er straks liever niet meer mee gezien worden. Het filmpje stelt namelijk “manufactured demand” aan de kaak, wat min of meer neerkomt op de bewustwording van het feit dat consumenten voortdurend worden verleid om steeds meer onnodige, milieuvervuilende rommel te consumeren. Dat gebeurt natuurlijk al decennia, maar zelfs in Amerika begint men nu de ogen te openen.

Het filmpje heeft een erg tendentieuze, Inconvenient Truth-achtige tone of voice. Zo legt men uit dat gebotteld water binnenkort net zo ‘cool’ is als roken tijdens de zwangerschap. Een nogal saillante metafoor die hardnekkig blijft hangen.
Want toen ik laatst een commercial van Spa op TV zag langskomen - die anders geruisloos zou zijn opgelost in het behang dat het gemiddelde reclameblok voor mij is - was ik opeens erg nieuwsgierig naar de inhoud. Ik wilde graag mijn inmiddels negatieve vooroordeel bevestigd te zien. Maar wie schetste mijn verbazing; de boodschap was maatschappelijk verantwoord. Voor elke liter Spa Reine die de consument koopt, zorgt de bottelaar samen met Unicef voor 4 liter schoon water voor kinderen in Burkina Faso. Hoe kon ik daar nu tegen zijn?

Toen echter even later l’esprit d’escalier zich van mij meester maakte, realiseerde ik me dat dit natuurlijk pure ‘symboolmarketing’ is. Het betekent dat Spa nog geen halve cent per fles afstaat aan schoon water in Burkina Faso. Als je dan toch iets goeds wilt doen voor schoon water in Afrika – en wegens smetvrees gebonden bent aan gebotteld water - dan kun je beter Earth Water drinken, uit de opvallende kartonnen, blauwe pakken. Het bedrijf erachter draagt 100% van zijn nettowinst af aan duurzame watersystemen in arme landen. Dat zet pas zoden aan de spreekwoordelijke dijk. En als je helemaal geen fobie hebt voor water uit de kraan, drink dát dan vooral en steun ook nog even de actie ‘We tap water’.

Hou op met spammen!
(Marketing Tribune, 14-10-2010)
Ik ben een merkenman pur sang. Daarom verbaas ik me er wel eens over hoeveel merken zich niet bewust zijn van hun gebrekkige imago. Vaak zijn dat bedrijven die  worden gemanaged zonder visie of beheerd door een slechte smaak. Maar het kan nog erger. Sommige bedrijven lijken zich wel bewust te zijn van hun slechte imago, maar omdat ze kak hebben aan hun klanten, gaan ze gewoon vrolijk verder waarmee ze bezig zijn. De Telefoongids is er één van.

Al jaren heb ik een NEE/NEE sticker op de deur. De reden moge duidelijk zijn; het bespaart me heel wat loopjes naar de papierbak en – belangrijker nog – draagt bij aan een papierloze wereld. Ik erger me er dan ook aan dat sommige partijen die sticker negeren. Toch vergeef ik het de lokale pizzeria’s en een handvol stoffige handwerklieden. Zij weten niet beter. Met de flutkrantjes van mijn stadsdeel, dat ook consequent mijn sticker negeert, ben ik ook niet blij. Ambtenaren hebben echter nog nooit van klantentevredenheid gehoord, dus die kun je het ook niet kwalijk nemen.

Maar het ergste vind ik de fysieke spam van De Telefoongids BV - in de vorm van De Telefoongids & Gouden Gids - die elk jaar door mijn brievenbus worden gepropt. Dit irriteert mij zodanig dat ik een intense hekel aan dit merk heb gekregen.

Op www.detelefoongids.nl krijg ik uitleg. Het bedrijf dat verslingerd is aan papier negeert de NEE/NEE sticker steevast, omdat ze de gidsen niet als ongeadresseerd reclamedrukwerk beschouwt. Waarom, kan men niet uitleggen. De gidsen zijn immers ongeadresseerd én kunnen uitsluitend nog in leven blijven dankzij de erin adverterende middenstander. En dat is natuurlijk ook waarop hun geniale business plan is gebaseerd; naïeve middenstanders wordt een groot bereik beloofd, terwijl de onwetende consument ermee wordt gespamd.

Maar het wordt nog schrijnender. BV Papierverspilling stelt dat het grootste deel van de Nederlanders de gids wenst te behouden. Maar niet heus. Consumentenprogramma Kassa zocht uit dat 58% van de Nederlanders de gidsen niet meer wenst te ontvangen en dat één derde de gidsen onmiddellijk na ontvangst weer weg gooit. Dat deert De Telefoongids niet, want zélfs als ik expliciet te kennen geeft de gidsen niet te willen ontvangen, zegt het bedrijf dat verantwoordelijk is voor een half procent van de jaarlijkse papierproductie dat ik er tóch recht op heb. Kafka meets Lijmen/Het Been, zeg maar.

Stiekem weet het bedrijf, dat waarschijnlijk wordt gemanaged door de laatst nog levende PTT-ambtenaren, al lang dat ze iets met dat malle internet moeten. Daarom hebben ze hun papieren gedrochten ook online beschikbaar gesteld. Maar ik ga daarvan natuurlijk nooit meer gebruik maken. Los van het feit dat ik niet inzie wat de toegevoegde waarde is ten opzichte van Google, Facebook, LinkedIn en mijn eigen digitale adresboek, wil ik nooit meer iets te maken hebben met een merk dat totaal niet geïnteresseerd is in mijn behoeftes.

Wel heb ik gelukkig een manier gevonden om mijn onvrede enigszins af te reageren. Ik verstuur de gidsen nu ongefrankeerd terug naar de afzender met de boodschap: “Hou op met spammen!”

Let op! Overstappen kost geld
(Marketing Tribune, 19-09-2010)
‘Overstappen’ deed je vroeger uitsluitend in het openbaar vervoer. Maar sinds de consument meer macht heeft gekregen ten opzichte van zijn dienstverlener, roept het woord tegenwoordig net zo makkelijk de associatie op van een ontevreden klant. Je kunt overstappen van ziektekostenverzekeraar,  van kabelaar, van energieleverancier, van mobiele provider en sinds kort ook van bank. Tenminste, overstappen kon altijd, alleen deed de consument het niet zo snel. Want dienstverleners maakten het erg lastig en de consument houdt nu eenmaal niet van verandering.

Dus omdat ik in mijn studententijd ervoor koos te bankieren bij de Postbank, te bellen via Ben en te internetten via Chello, ben ik nu nog steeds aan deze merken verbonden – al heten ze nu ING, T-Mobile en UPC. En over al deze merken ben ik wel eens ontevreden geweest – vooral over UPC. Maar overstappen deed ik nooit, omdat ik niet verwachtte dat het elders beter zou zijn.

Maar één keer ben ik wel overgestapt. Van mijn energieleverancier. Ik had uitgerekend dat ik ongeveer €70 per jaar kon besparen als ik weg zou gaan bij de Nuon. Dat was 3 jaar geleden, dus het was niet Maurice de Hond die mij overhaalde. Het was gewoon een rekensommetje op de achterkant van een bierviltje. Toen ik eenmaal was overgestapt had ik vrij snel spijt. Rekeningen en meterstanden klopten niet, call center medewerkers wisten van niets en ik zag het kastje en de muur. Al met al kostte het me bijna een jaar, ettelijke telefoontjes en een hand vol grijze haren voordat alles weer netjes op orde was. Toen heb ik mijn lesje geleerd. Hoe harder een dienstverlener roept dat je moet overstappen, omdat je bakken met geld kunt besparen, hoe slechter de service. Niet zo vreemd ook. Die reusachtig voordelige tarieven moeten toch ergens mee gefinancierd worden. There’s no such thing as a free lunch.

Sinds kort doen met name banken verwoedde pogingen om te profiteren van de onzekerheid bij de consument over de integriteit van de bankensector. Laatst kwam de Bank of Schotland langs op TV. Deze bank beloofde me €30 als ik er zou gaan bankieren. Ik moest er hardop van lachen. Voor zo’n fooi ga ik me natuurlijk niet weer al die ellende op de hals halen. Sowieso vetrouw ik een bank niet die geld uitdeelt – ook niet met de pay-off ‘trusted since 1695’. Een bank hoeft alleen maar netjes op mijn centjes te passen. Voor de rest mag hij zo grijs als een muis blijven.

Enfin, ik stap dus alleen nog maar over met de trein. En dat bevalt erg goed. Het geeft rust. En, belangrijker nog, ik verdien er zelfs geld mee. Want tijd kost geld en elk uur dat ik niet met een call center in de weer ben, kan ik veel meer geld verdienen dan de schamele wortel die ze me voorhouden. Als je er zo naar kijkt, zou er eigenlijk een waarschuwing in het leven geroepen moet worden: “Let op! Overstappen kost geld.”

Riding the fourth wave of international advertising
(Amsterdam Ad Blog, 03-09-2010)
Robert Röling, PhD student at the University van Amsterdam (economic geography), wrote an article about his research on Amsterdam’s success in attracting international agencies and creative talent – or the other way around, if you will. The article is titled “Small Town, Big Campaign: The Rise and Growth of an International Advertising Industry” and published in the academic journal Regional Studies. Röling’s thorough article starts with describing the history of international advertising. In this context scholars always used to speak of the big two waves. But nowadays there are already four, Röling explains. And Amsterdam is the centre of the fourth wave.


The first wave of international advertising dates from the 1920s when the industrial revolution gave American advertising an enormous boost. New York, and particularly Madison Avenue, became the first epicenter of international advertising. Agencies like JWT and DDB were successful they started to expand outside the US.

In the 1960s the second wave was centered in London and Paris. A new creative élan changed the advertising industry. Agencies like Saatchi and Publicis introduced ‘soft-selling’. Until then American styled advertising was known to ‘hard-sell’ products by using a literal and bombastic tone of voice. In the 60s humour was added to persuade the consumer in a more friendly way. During this second wave ‘swinging London’ was the place to be.

In the 70s a more diverse product range and a larger variety of consumer behaviour forced agencies to become more flexible. The typical international advertising agencies from the third wave, emerging in the 1980s, were smaller, and therefore more flexible, compared to the first two waves. Many of them were breakaways from the first and second wave agencies. At that time BBH, Fallon, and Crispin, Porter + Bogusky emerged as international agencies. Another typical third wave agency, Wieden+Kennedy, opened its Amsterdam office in the 90s – following Nike that opened it’s European headquarters here. And, as Röling mentions, this was a ‘critical juncture’ for the development of Amsterdam as an international advertising hub.

Anti-cyclically the global networking agencies from the first and second wave only grew bigger and bigger during this period by buying creative, independent agencies. They thus became less and less flexible and more dependent on shareholders who were only interested in growth.

The fourth wave of advertising was basically a continuation of the process of deconsolidation that started in the 80s. It was the introduction of the internet in the 90s and the changing role of the consumer that entitled the fourth wave to have its own chapter in the history books. The rapidly changing media landscape forced agencies to cooperate more and more with external, specialized parties, instead of doing everything in-house. Thanks to internationally orientated agencies like KesselsKramer, 180, and Strawberry Frog opening their doors in Amsterdam in the 90s, Amsterdam is now riding the fourth wave.

One of Röling’s most insightful observations is that today the Amsterdam offices of the global network agencies, like BBDO, DDB, TBWA, Publicis, Saatchi, and Lowe are predominantly nationally orientated in terms of both their clients and employees. What’s more, almost all of them are located outside the city centre in relatively cheap, not very inspiring office buildings, closer to Schiphol airport. The independent, third and fourth wave agencies, are all located in the city centre, preferably in the old merchant houses along the canals. Understandable. That is what makes creative folk from all over the world want to work in Amsterdam. And, not to forget, the clients don’t mind a meeting in such an environment either.

So, to summarize Röling’s article, the key to Amsterdam’s international success is the increasing importance of small, flexible, independent advertising agencies and the attraction the city has on exactly these types of agencies and people. It is the size of the city, the friendly pace of life, and the international attitude of the people that attracts creativity. That is what makes Amsterdam the international centre of the fourth wave of international advertising. And since we’re only just climbing up from a global economical crisis, we still haven’t reached its peak.

So you think you can survive?
(Martketing Tribune, 17-08-2010)
Jawel, er is een nieuw TV programma op RTL 4, genaamd The Voice of Holland! De zoveelste talentenjacht. Met onder andere Angela Groothuizen als ‘voice’ deskundige en Martijn Krabbé als presentator. Toen ik de aankondiging zag, dacht ik, zaten die twee niet ook al in X-Factor?

Na wat gegoogle kwam ik erachter dat in al die talentenjachten steeds weer dezelfde namen opduiken. Zo zaten Groothuizen en Krabbé inderdaad ook in X-Factor - eveneens van RTL 4. Daar zat Groothuizen naast Eric van Tijn in de jury, die ooit in 2002 bij Idols begon – ook weer RTL 4. Bij Idols zat Van Tijn met Henkjan Smits in de jury. Later zat Smits met Gordon en Dan Karaty in de jury van Holland’s got talent eerst van SBS6, later van RTL. Maar Gordon doet nu Popstars bij SBS, gepresenteerd door Gerard Joling. Gordon viel eerder (negatief) op bij Idols en Joling presenteerde een tijdje geleden Sterren dansen op het ijs bij SBS. RTL had trouwens een vergelijkbaar programma, genaamd Dancing on ice. Je raadt het al; gepresenteerd door Martijn Krabbé. En Karaty werd trouwens bekend door in de jury te zitten van So you think you can dance bij RTL.

Het is typerend voor de commerciële zenders dat ze liever tegen lage kosten een format eindeloos uitmelken, dan dat ze investeren in geheel nieuwe, originele formats. Dat doen ze omdat de gemiddelde Nederlander voorlopig vrolijk naar deze meuk blijft kijken en omdat de uitmelkstrategie zekerheid biedt voor de adverteerders. Maar vanuit een breder marketingperspectief doet deze incestueuze hypersegmentatie denken aan een markt die oververzadigd is en op z’n laatste benen loopt.

Omdat ik zelf liever een avondje MadMen, Dexter of Six Feet Under kijk, dan dat ik zappend 13-in-een-dozijn formats en reclameblokken moet ontwijken, ben ik in ieder geval erg blij dat er steeds meer (reclameloze) alternatieven zijn voor het traditioneel TV kijken. Zo kan ik MadMen netjes op DVD kopen of in een handomdraai illegaal downloaden. Verder kan ik het wellicht over niet al te lang via de kabel on demand kijken. En het zou me ook niet verbazen als de makers het op een gegeven moment zelf streaming aanbieden via het internet. De mogelijkheden voor een avond ongestoord kwalitatieve TV kijken zullen alleen maar toenemen.

En aangezien de tevreden zapper langzaam maar zeker vergrijst, zullen de commerciëlen zich toch echt moeten gaan aanpassen aan het veranderende medialandschap. Doen ze dat niet dan sterven ze uit. Volgens mij hoef je geen Charles Darwin te zijn om dat te begrijpen.
Appie's Excellente Prijsstrategie
(Marketing Tribune, 19-07-2010)
Laatst kwam ik bij Albert Heijn voor een kant-en-klare maaltijdsalade - ideaal wanneer je weinig tijd hebt maar toch gezond wilt eten. Ik scande het schap op zoek naar de AH Excellent verpakking. In eerste instantie kon ik het niet vinden, maar dat bleek te komen doordat de verpakking was veranderd. De supermarkt had de maaltijd salade gedegradeerd van AH Excellent naar AH ‘middelmaat’. Ik hoopte dat de prijs ook was aangepast, want AH Excellent straalt in alles luxe uit en daar betaal je dus grif voor. Maar dat was niet het geval.

En toen opeens herinnerde ik me hoe een tijd geleden precies dezelfde salade was veranderd van AH ‘middelmaat’ naar AH Excellent. En toen ging de prijs wél sterk omhoog – ik schat van €3,50 naar €5. Alsof je van een Skoda een Audi maakt, de prijs omhoog gooit en vervolgens het omgekeerde doet zónder de prijs weer te verlagen.

Het is me al vaker opgevallen dat Albert Heijn een zeer sluwe, want ondoorzichtige prijsstrategie hanteert. Zij heeft er bijvoorbeeld een handje van haar prijsverlagingen breed uit te meten, terwijl er over prijsverhogingen nooit wordt gecommuniceerd. Dus toen Jumbo niet al te lang geleden weer met een nieuwe campagne kwam waarin ze een aantal A-merken vergeleek met Albert Heijn en stelde dat die gemiddeld 10% goedkoper waren, maakte AH onmiddellijk bekend deze artikelen in prijs te verlagen.

Ook wanneer de dominante grootgrutter het goed doet in de objectieve prijsvergelijking van bijvoorbeeld de consumentenbond, loopt ze er uitgebreid mee te pronken. Het probleem echter van dit soort vergelijkingen is dat ze meestal uitsluitend betrekking heeft op A-merken. Een pot pindakaas van Calvé is namelijk overal hetzelfde en dus goed te vergelijken op prijs. Maar een maaltijdsalade is bij elke super anders. En kijk je naar de prijzen van die moeilijk vergelijkbare producten, zoals AH Excellent, AH Puur&Eerlijk, groente en fruit, dan is Albert Heijn met gemak de duurste.

Het groots uitgemeten kiloknallen wordt door de grootgrutter, die zo graag en vaak zegt op de kleintjes te letten, dus gedaan over de rug van de A-merken, terwijl de megamarges in stilletjes worden gemaakt over de eigen merken. En het is te danken aan deze eenzijdige prijscommunicatie dat het geliefde marketingmerk Appie in de perceptie van de consument helemaal niet zo duur is. En dat is een dubieuze, maar zeer knappe prestatie.
Shell and 'clean' don't match in advertising
(Amsterdam Ad Blog, 29-06-2010)
While BP pollutes the Gulf of Mexico with around 100.000 barrels of oil per day, British-Dutch oil company Shell is broadcasting a very sober corporate commercial on Dutch television at the moment. In the commercial a Japanese kid plays his electrical guitar in his bedroom. His parents are annoyed by the noise and turn off the power – in Japan you have a switch that allows you to turn off an individual power socket. The message; Shell sells clean gas in Japan, so the people can enjoy clean energy. At the end, a voice-over adds with some tongue in cheek: “as long as Mr. Yukotami [or a similar name] allows his son to do so”.

I tried to find out who made the commercial, but after a few phone calls to a corporate maze of Shell offices, and still no answer, I gave up. No harm done though, I am not planning to shoot the messenger anyway. In fact, what I like about this commercial, is that both the look and feel and tone of voice are pretty esthetic, modest, and even sympathetic. The agency did a good job. If it wasn’t Shell, I would immediately love the brand behind it. But the problem is that it is Shell.

I know Shell isn’t responsible for BP fucking up - excuse my French - in the Gulf of Mexico. But that doesn’t matter, cause Shell is a polluting oil company itself. The only difference is that Shell’s pollution strategy is longer term. The oil driller has spilled an estimated amount of 1.5 million tons of oil in the South of Nigeria over the last 50 years – I found this out a few weeks ago through Dutch TV program Zembla. The oil leakages have contaminated a big part of the Niger Delta. With the footage of oil seeping into the rivers of the Niger Delta still freshly in my memory, you can imagine I get a little cynical when hearing Shell talk about ‘clean’ energy.

So even though Shell has discovered that it’s fashionable to do something with ‘sustainability’, and even likes to use the word ‘clean’, selling oil – and polluting the world - is still its core business. And I predict that this will not change until the electrical car has reached its tipping point of penetration. Therefore I think it would be wise for Shell to lay low for a while. Maybe they should invest their advertising budget in cleaning up the pollution in Nigeria. Only then will I appreciate the word ‘clean’ in its corporate commercials. Actually, that’s not even good enough. Only when Shell starts to shift its core business towards renewable energy -  thus contributing significantly to the sustainability of our planet - I will believe its advertising.

De krant is dood, leve de krant!
(Adformatie, 24-06-2010)
De krant moet behalve zelf content produceren, ook content verzamelen en online ‘herverpakken’, vindt Wouter Boon

De betaalde krant heeft het zwaar. Dat komt vooral doordat zij nog steeds in grote mate financieel afhankelijk is van haar papieren uitgave, terwijl de strijd om media aandacht steeds meer op het internet plaats vindt. Maar online is nieuws nu juist een commodity geworden. En dat is weer de reden dat de krant nog steeds sterk afhankelijk is van haar papieren uitgave. Een volmaakte Catch22.

Deze onmogelijke positie, wil echter niet zeggen dat er geen ruimte meer is voor de krant als instituut. Juist temidden van alle vluchtige blogs en tweets bestaat er sterke behoefte aan kwaliteitsjournalistiek die gedegen onderzoek doet en duiding geeft.

Om te overleven moeten de krant een volwaardig digitaal product worden en dus af van de gedachte dat het een papieren contentdrager is. Want of je het nou leuk vindt of niet, papier zal over niet zo heel lang uitsterven. De introductie van iPad-achtige tablets zal dit proces versnellen.

Betaalde kranten moeten daarom beter na gaan denken over hun online businessmodel. Het gratis weggeven van content - in combinatie met de verkoop van banners – is in elk geval geen winstgevende optie. En álles betaald achter slot en grendel gooien, zal nog minder opleveren.

Een betere vorm van contentdistributie lijkt het freemium model - ‘free’ en ‘premium’. Dat  betekent dat het oppervlakkige, vers-van-de-pers nieuws gratis is en dat je voor de diepere analyses, achtergronden en opinies moet betalen. Bij veel digitale producten, zoals de apps op de iPhone en de streaming muziek van Spotify, werkt het freemium model prima, omdat free en premium op natuurlijke wijze op elkaar aansluiten. Zo heeft Spotify een gratis abonnement dat toegang geeft tot maximaal 20 uur per maand luisterplezier. Onbeperkte (reclamevrije) toegang tot de gehele database kost 5 euro per maand. En voor 10 euro mag je de muziek ook nog op je mobiel of offline beluisteren.

De vraag is echter of dat ook werkt voor de online krant. Oppervlakkig nieuws is immers een commodity geworden en een kwalitatief opiniestuk ligt niet automatisch in het ‘premium’ verlengde daarvan, want voorziet in een andere, meer specialistische behoefte. Het gros van de consumenten dat dagelijks online het (gratis) nieuws van een krant checkt, zal niet als vanzelfsprekend betaald toegang willen tot het volledige digitale archief. Via een freemium-model zal de online krant dus nooit zo winstgevend worden als de papieren krant in haar beste jaren.

Knipseldienst
De krant zal zichzelf daarom echt opnieuw moeten uitvinden. Dat gaat niet door de papieren krant min of meer een-op-een door te vertalen naar digitaal. De papieren mindset moet om. De kracht van online is dat de consument er zeer specialistische informatie kan vinden voor zeer specifieke interesses. Daar zou een krant op in moeten spelen. Dat kan met een abonnementvorm die veel specifieker nieuws clustert en een fractie kost van een papieren krantenabonnement – zodat de instapdrempel laag is. En dan dus niet gebundeld volgens de logica van de papieren katernen, ‘Economie’, ‘Kunst’ en ‘Media’, maar in veel kleinere contentclusters, zoals ‘Marketing’, ‘Popmuziek’ en ‘Gadgets’. Een lezer die zich daarop abonneert, weet precies wat er gebeurt binnen een strak afgebakend gebied dat naadloos aansluit op zijn persoonlijke interesses.

Om deze clusters echter voldoende volume en gewicht te geven, zou de krant meer gebruik moeten maken van de grote hoeveelheid nichecontent die al rondzweeft op het internet. En dan niet alleen content van de gerenommeerde ‘papieren’ titels, maar ook van bijvoorbeeld de steeds volwassener wordende internationale blogosfeer. Het is dan natuurlijk wel belangrijk dat de krant een zorgvuldige, kwalitatieve en journalistieke selectie maakt. Dat is en blijft immers haar kracht.

De krant zou kortom niet alleen content moeten produceren, maar het ook moeten gaan verzamelen en het vervolgens online herverpakken in nicheclusters. Eigenlijk dus een veredelde knipseldienst die zeer specifieke content op maat levert onder de vlag van een betrouwbaar journalistiek merk. Voor zo’n kant-en-klare online dienst wil zelfs de generatie die nooit een papieren krant zal kopen en steeds minder tijd heeft om een selectie te maken uit de informatie overload, best betalen.
Amsterdam Abandons the 30-second Spot
(Advertising Age, 21-06-2010)
Viewpoint: Why Tell Stories in an Expensive Half Minute When Films Can Be Any Length Online
When you realize that on the internet advertising has no time limit whatsoever, it feels completely random to squeeze your storytelling in a small window of exactly 30 seconds. On the internet you can simply claim a URL or open a YouTube account and the channel is yours. So instead of buying media attention, online you can earn it for free.

When I look at the Amsterdam advertising scene, I feel that more and more agencies and  advertisers begin to realize that they are not dependent on TV anymore. In the past year I came across some beautiful cases of branded content, made especially for the internet. And I’m not talking about virals, made with meager budgets, shaky handycams and a fingers-crossed-mentality. I am talking about quality, long form productions, based on a solid strategy, and created with a multitalented team of professionals.

Last year Watson & Lewis, a small Amsterdam agency, made a three-minute commercial for Martini -- disguised as a music video with Dutch singer Caro Emerald – that was released on a dedicated YouTube channel, and seeded through music channels, blogs and social media. The catchy clip that became an instant hit had the look and feel of an international production. It was made though, solely for the Dutch market, because Dutch women perceived the “international brand” as too glamorous and distant. If Martini Netherlands would have to buy the three minutes of TV exposure on top of the production costs, this local approach would have been impossible.

So when an online production for a tiny market like the Netherlands allows six times the length of a 30-second commercial, you can imagine that a market that combines Russia and Eastern Europe, can easily afford a lengthier film. That is what Amsterdam Worldwide – formerly known as Strawberry Frog –  made for ArArAt brandy. To elaborate on ArArAt’s rich brand heritage, the agency converted its TV budget into a 15-minute film, called the “Legend of Akhtamar”, a classic Armenian story about unrequited love. It would have been quite an effort to tell this story in 30 seconds. And while the Martini production still felt like a TV commercial -- larded with product shots -- the “Legend of Akhtamar” had all the cinematographic qualities of a feature film. Including two talented directors (the Shammasian brothers, who won the Young Director’s Award in Cannes in 2005), a renowned movie music composer and a set of famous local actors.

Online any length is possible. Stockholm-NY-Amsterdam based Perfect Fools shot even more advertising minutes for McDonald’s  in Scandinavia. In 60 minutes -- divided over seven episodes – “Dreaming in Mono” tells the story of a rivalry between two ski legends, one of whom wants to break a downhill record on a monoski. While the story might not sound very engaging, it was very well made. McDonald’s was even able to make a deal with the biggest TV channels in Scandinavia to broadcast it. So by mainly allocating the advertising budget to the creation of the story, the fast feeder earned itself a TV deal. It shows that the tables start to turn when advertisers focus their budget on creativity, rather than the perfect timeslot on TV.

Consumer electronics brand Philips recently launched the follow up of “Carousel”. The original won a Grand Prix in Cannes last year. Together with Tribal DDB, Amsterdam, Philips selected five very different directors to tell one story in completely different ways. It supported the proposition that it doesn’t matter how you tell the story, as long as you watch it on a Philips wide-screen TV. Though the films were each only a few minutes long, you can easily imagine how Philips could cultivate this concept and become the cinema-TV brand.

If more advertisers follow these examples -- and I am pretty sure they will --  you will see a big shift in budget allocation, in the quality of branded content, and in the balance of power between the broadcaster and the advertiser. Storytelling will become more true to its original meaning, and agencies will reinvent themselves. The 30-second commercial will probably survive. Maybe as a trailer, to advertise its more mature 30 minute sibling.
The iPhone. For Everybody.
(Amsterdam Ad Blog, 19-02-2010)
How Apple closed the technology gap between older en younger generations by making user friendly software
Recently I came across this ancient ad for Remington typewriters. How old fashioned, I thought; “For young. For Old. For everybody”. When it comes down to today’s 'typewriters' the gap between grey bearded men and their grand children has never been bigger. My dad for example can only use – let’s say -  5% of all the functions that I use on my computer. This problem did not exist in the time of the mechanical typewriter.

Sending e-mails, attaching photo’s, writing letters, all the basic stuff that Windows offers to its consumers is already quite a struggle for my dad. So changing the resolution of his screen, downloading software or compressing the size of a photo, is completely out of his reach. This always gave me the feeling he has been left behind, while the rest of the the ICT-caravan moved on. And that, I think, is a very sad paradox of modern technology.

Already a long time ago, when I opened the fist thick manual of my VCR, I sighed and realized that the future of consumer electronics would be products that don’t need manuals. For years I asked myself why do they make things so complicated. Why don’t they make intuitive software that anyone can use without having to study a manual as heavy as a phonebook.

Windows was the market leader for such a long time. They could have invested tons of money in user friendly products. Instead, they preferred to keep milking their crippled cow. I know, they always had to make their software available for a wide range of hardware. But as a consumer I am not interested in the reason, I just want things to work.

What’s more, when Windows introduced software for mobile phones, they didn’t think ‘let’s start from scratch and build ourselves a star’. No, they made a dwarf version of their crippled cow. And that, as you can imagine, was not an improvement. In the one year I used it, I probably lost 10 years of my life. I’ll spare you the details, but I hated Windows more than ever.

Then there was the iPhone. What a relieve. I had been waiting for this ever since not understanding my VCR. This was the first phone I could operate instantly, without having to read a manual. And it gets better, my dad recently bought one too. He loves it. He can use almost all functionalities! Thanks to Apple Remington’s headline – though a little old fashioned – is relevant again; The iPhone. For young. For Old. For Everybody.
Aardige mensen bij Sire
(Adformatie, 28-01-2010)

Ik zeg het vaak en graag: met aardige mensen kun je de grachten dempen. Sire ziet dit soort cynisme liever verdwijnen onder de Nederlanders, zo las ik in Adformatie 3. Daarom heeft deze stichting een campagne gemaakt rond 'aardige mensen'. Een heuse plaag voor de samenleving, want maarliefst 12 procent van de Nederlanders zegt: 'als iemand aardig tegen me doet die ik niet ken, weet ik niet zo goed hoe ik daarmee om moet gaan'. Op een speciale site (kosten nog moeite gespaard) wordt ons uitgelegd wat te doen als iemand zomaar opeens aardig doet. Zegt bijvoorbeeld iemand tegen je: 'wat zit je haar goed', dan hoef je niet de ramen en deuren te sluiten, maar kun je gewoon doodleuk antwoorden 'dank je'. Ik verzin het echt niet, de website van Sire onderwijst ons in de omgang met aardige mensen. Hoe kun je nou niet cynisch reageren op zo’n ontzettend nutteloos initiatief. Ik begrijp best dat Sire onderbelichte onderwerpen onder de aandacht wil brengen, maar je kunt natuurlijk overdrijven.

Sense and Simplicity?
(Amsterdam Ad Blog, 19-01-2010)
How Philips confirmed my preconception about LED and shed a whole new light on its tagline
In 2004 Philips launched the tagline ‘Sense and Simplicity’. I clearly remember that I liked it straight away - though it wasn’t hard to improve the previous one: ‘Let’s make things better’. Sense and simplicity communicated exactly what I wanted to see in consumer electronics; made by intelligent engineers and translated into a simple product that I can intuitively use. Just like the iPhone; loved for its sense and simplicity. But last weekend I saw a Philips ad that gave sense and simplicity a whole new meaning.

The header of the ad reads: “Ledino. Stylish designed LED lightning”. First I looked at the picture. A man looks intently and seductively at a woman. The woman is wearing a big smile and looks down playfully – as if to say, I know what you want from me, but first I am going to play a little hard to get. Her sexy red high heels are on the floor – already off!

Then my attention was drawn to the white coffee table. It was difficult to see what is on it, because a bright light almost literally blinded me. That must be the ‘Ledino’, I thought. Then I moved to the body copy. A small picture of  the Ledino revealed it looks like a table lighter – pretty stylish indeed. And the body copy explained that the Ledino embodies a perfect harmony between the quality of light and your taste for design. According to Philips it not only improves your interior, it also saves energy, up to 80%.

Sounds great, but of course I am never going to buy this light. Before seeing this ad, LED light represented two things for me; economical and too bright. Therefore I would only use LED in a room where atmosphere is not very important – let’s say the attic. It was Philips’ task to educate me about this, and convince me that you can use LED lights even if you want to seduce someone on the couch of your flashy apartment. Unfortunately the ad just did the opposite; it confirmed my negative preconceptions about LED light.

So all in all I do see the ‘sense’ in the Ledino; it saves up to 80% energy. But for me the simplicity now has a whole new meaning; it’s not about the quality of the product, it’s about the simplicity of a consumer that buys an unattractive bright LED light (disguised as design) to save some energy. An enlightening ad after all.
Vodafone's Non-Humans Divide Dutch Advertising Community
(Advertising Age, 08-10-2009)
Starring What Looks Like Mutated Guinea Pigs, The Ads Have Alienated Some
Vodafone launched a new ad campaign in the Netherlands a few weeks ago designed around non-humans that show human behavior. They’re non-human, because they make unintelligible sounds and look like mutated guinea pigs, but they wear normal clothes and have trouble with their mobile connection -- something we all can relate to, of course.

In one of the commercials a “woman” calls up her mother and hangs up the phone after one single phrase -- in a language that only mutated guinea pigs understand. And a voice-over tells us that “Life is too short for hasty calls”. This sounds like a strange contradiction to me, but fortunately the offer -- “talk for 60 minutes, pay for only 3” -- explains in plain English that Vodafone is cheap enough for lengthy conversations. In another commercial, a “man” is searching with his laptop for an internet connection on a campsite. Voice over: “Life is too short to search for wifi”.

Both commercials are topped off with the pay-off: “Power to you”. To me, this is typical marketing talk. I understand it, but it sounds category generic, and I simply don’t believe it. Aren’t cheap minutes and a working mobile connection simply qualifiers? I liked the campaign’s previous pay-off, “Make the most of now”, because it triggered me emotionally. And the funny thing is that “Make the most of now” would have fit a lot better with “Life is too short for etc.”

Anyway, the campaign was the talk of the advertising town. Not because the daughter-mother concept comes dangerously close to a JWT, London, commercial for Vodafone: “Sometimes life’s more than a three minute conversation” (awarded a Silver Lion at Cannes 2006). No, on the website of Adformatie (the Dutch equivalent of Advertising Age), the discussion mainly revolved around Vodafone’s new characters. The ad pundits were divided in two camps. The first said it admired Vodafone for sticking its head out with this daring new ad property. And the second said that Vodafone completely lost it.

Amsterdam based advertising agency THEY (recently awarded International small agency of the year by Advertising Age) created this new campaign. It said it chose “characters” because normal people in a normal world are no fun to look at. The agency knew it was a polarizing concept, but it is confident that it simply needs some time to grow on its consumers. This could be true. In India, Ogilvy & Mather, Mumbai successfully introduced the Zoozoos for Vodafone this year - very distinctive white creatures that play little sketches and speak a language humans don’t understand.

One thing that makes me skeptical about Vodafone’s new characters though, is that these unattractive-looking mutants imitate the consumer. How can the consumer relate to them? And we’re talking about Vodafone here, the sexy brand that has world leader status, claims the color red and sponsors race cars. If you ask me, both camps on the internet were right: Vodafone lost it, because they wanted to stick out their head in a daring way.
McDonald's Dutch strategy: At least we don't use kangaroo meat!
(Advertising Age, 20-08-2009)
Review: The fast feeder’s new campaign awkwardly touts its food quality.
Amsterdam agency TBWANeboko launched a McDonald’s corporate campaign last month that clearly conveys a new strategic direction. The new pay-off translates as “The more you know, the better you eat”. This phrase -- it rhymes in Dutch, but still feels somewhat contrived -- is based on the insight that the average consumer believes that McDonald’s serves food of poor quality. With this new strategy McDonald’s wants to position itself as the honest and sensible fast food chain.

It’s not only all the bad publicity -- for a big part caused by the movie “Supersize Me” -- that made this new strategy necessary. McDonald’s is simply following the health conscious consumer. In itself an understandable move. After all, marketing is about adjusting your product (and communication) to the desires of your consumers. It’s comparable to today’s SUVs being advertised as “green”.

The animated commercials that drive this campaign explain what a Big Mac is really made off. In one of the animations you see a cow in a huge meadow. A voice over tells us that at McDonald’s the burgers are made of 100% beef and not from kangaroo. The cow partly changes into a kangaroo and hops off -- I suppose as if to show how ridiculous it would be if the burgers weren’t made of beef.

The voice-over says that it’s not just any beef; only the best parts of the cow are good enough for the Big Mac. In another spot the narration explains that the only thing that is added to the beef, is a little pepper and salt. But this, of course, is not the full story. As a critical consumer, I immediately think about the big blob of sauce on top of this honest piece of meat.

In any case, there’s something contradictory about this new campaign. The new pay-off sounds quite educated and thus targeted at -- let’s say -- a more sensible customer. At the same time the cartoonesque execution and tone of voice is pretty immature (of course the Big Mac doesn’t contain kangaroo meat) and even implausible (only the best parts of a cow that has lived a happy life in a huge meadow are used for the Big Mac.). So I strongly wonder whether the ingredient-conscious customer buys this message.

The previous McDonald’s campaigns -- also made by TBWANeboko -- were based on the international tagline, “I’m loving it”. While I personally don’t love McDonald’s and only eat it when I’ve been in countries like Nicaragua or Indonesia for too long and am craving for some Western food, I think the “I’m loving it” pay-off conveys McDonald’s brand essence very well. People go to McDonald’s to indulge their selves. They know it’s not the most healthy food yet they love it. McDonald’s neglects the importance of this insight and seems to forget where it has come from. As my first ad boss always told his clients; never forget what made you famous.

So what I like about this campaign is that it makes a clear strategic choice. And it will thus probably give McDonald’s a healthier image. However, if it continues into this direction, it might alienate the typical McDonald’s family that goes there to score a happy meal and a toy that’s made in China. At the same time, the more sensible, ingredient-conscious consumer to whom McDonald’s seems to be talking, will either never eat McDonald’s -- because the brand is simply not in the evoked set -- or will get very irritated by the incredible message. And that would be a lose-lose situation.


Top 3 onvergetelijke commercials
(Marketing Tribune, 23-06-2009)
Wouter Boon, reclamestrateeg en oprichter van AmsterdamAdBlog.com kiest zijn top 3 onvergetelijke commercials.
1. Apple, Think Different Kippenvel. De beelden, de muziek en bovenal de poëtische copy; alles klopt. De commercial is tien jaar oud en stond dus aan het begin van een nieuw succesvol Apple-tijdperk. Een mooi voorbeeld van practice what you preach.

2. Epuron, The Power of Wind
De definitie van creatief denken, want in deze commercial maakt men op originele wijze gebruik van een prachtige, maar niet voor de hand liggende metafoor. Verder word je als kijker nieuwsgierig naar de ontknoping. En dan ben je even stil… valt het kwartje… en wil je hem nog een keer zien.

3. Dove, Evolution
De overkoepelende ‘echte vrouwen’ campagne is al een strategisch kunststukje en dit filmpje is  de cherry on top. Eenvoudig idee, kosten nihil, maar oh zo overtuigend.


How to save an Amsterdam movie theater?
(Advertising Age, 17-02-2009)
With web video, of course. DraftFCB's Upload Cinema brings online clips to the big screen
As the founder of Amsterdam Ad Blog, I was a little disappointed with our city's meager performance in Cannes last month. Except for the wonderful Film Grand Prix, won by Tribal DDB for Philips, there was no gold, and only a few silver and bronze. One of those winners deserves some extra attention. Upload Cinema by DraftFCB, Amsterdam, won a silver Lion for promoting the smallest cinema of Amsterdam, De Uitkijk. The reason I like it is that it proves you don't need a million-dollar budget to come up with a great idea.

I knew beforehand Upload Cinema would win a Lion. Not just because it won several awards in the Netherlands already, but because its creative character is instantly revealed by its simplicity. Like most big ideas, it can be explained in a single phrase: "Taking web films to big screen."

The idea was conceived when Dagan Cohen, head of the creative department at DraftFCB, met Barbara Wijn, managing director of De Uitkijk. She told Dagan she had a very difficult time keeping the cinema afloat. Apart from the fact that the charming old cinema is practically invisible in its location on the Prinsengracht, in the heart of Amsterdam, it was very difficult for her to compete with all those huge, comfortable Pathe cinemas that have popped up all over town. And although De Uitkijk focuses on art-house movies, thus attracting a very specific crowd, people are spoiled nowadays and don't like cramped cinemas with crappy chairs anymore.

The solution to the problem is a unique form of content that has created a whole new reason to visit De Uitkijk. According to a monthly changing central theme, the (online) members of Upload Cinema are asked to submit online videos that are freely accessible on the internet.

Subsequently the editorial staff -- which consists in part of theme-related experts -- select the best films. The result is an art-house-worthy compilation of extremely diverse stuff that is only matched by the theme, shown on the first Monday of every month. In June, for example, when I visited an Upload Cinema night, the theme was "messing with the brand." It brought together the best unauthorized, banned and spoofed advertising on the web. The concept is so successful that art house cinema's all over the world have requested to adopt the format.

The reason why Upload Cinema is truly creative is that it merges two domains that theoretically lie miles apart from each other. The art-house domain, consisting of high-brow long-form content, worked for an educated crowd, on the one hand. And the internet domain, with its long tail of easily consumed short-form content, worked for anyone who accidentally stumbles upon it. Upload Cinema has brought the two together by joining the forces of the internet community and an editorial staff, thus producing an entirely new form of quality content.
De 'long tail' creatief
(Adformatie, 08-05-2008)

In Adformatie 17 wordt de vraag gesteld: “Waarom is de Nederlandse reclame zo saai?” Ter vergelijking worden de onsterfelijke Leo Burnett en Bill Bernbach nog maar eens van stal gehaald. Inderdaad, zij maakten baanbrekend werk. Maar het is wel een beetje alsof je een platenspeler met een iPod vergelijkt.

Eén artikel verderop (‘De positieve neo-creatief’) illustreert Adformatie waarom de tijden echt veranderd zijn. Los van het feit dat het vak in de jaren van Burnett en Bernbach nog in de kinderschoenen stond, er minder clutter was en het dus wat makkelijker was om je hoofd boven het maaiveld uit te steken, bestaat er tegenwoordig zoiets als het internet. En dat is niet slechts een reclamemedium, maar heeft door de ‘long tail’ ook vele businessmodellen veranderd. Wat MySpace deed voor beginnende bandjes, doet het internet nu voor beginnend creatieven; met één internetpagina heb je een bureau. En met de veel lagere (opstart)kosten is de neo-creatief minder afhankelijk van de grotere klanten die gefocust zijn op cijfers en regels. De onafhankelijke neo-creatief heeft daardoor meer ruimte om te experimenteren, zich te bewegen in creatieve netwerkjes en zich vroeg in zijn carrière te ontplooien buiten de reclame.

Dus als de Nederlandse reclame werkelijk zo saai is – hetgeen ik sowieso betwijfel – dan komt dat waarschijnlijk doordat de neo-creatief zich beter thuis voelt in de long tail, waar hij misschien minder zichtbaar is, maar alle ruimte heeft voor ongeremde creativiteit.

Van social network naar knowledge network
(Adformatie, 08-11-2007)
Uit onderzoek is gebleken dat we maximaal 150 sociale contacten kunnen onthouden. Toch heeft een veel groter netwerk via netwerksites op den duur toegevoegde waarde. Maar dan moet 'social networking' zich wél eerst ontworstelen aan de status van veredeld telefoonboek, vindt Wouter Boon.

Social networking heeft zich binnen drie jaar ontwikkeld tot een nieuwe communicatiemedium met een meer dan kritische massa. De potentie van het fenomeen lijkt ongekend groot wanneer je je realiseert dat het theoretische principe van six degrees of seperation langzaam werkelijkheid wordt. Toch is het voor velen nog niet duidelijk wat nu precies de toegevoegde waar ervan is. Immers, profielensites als My Space, Facebook en Hyves worden vooralsnog veelal gebruikt als handige kruising tussen telefoonboek, e-mail en poëziealbum.
 
Een belangrijke beperking van online networking, die bekend staat als Dunbar’s number, is onze hersencapaciteit. Robin Dunbar, een Britse evolutionair psycholoog, rekende namelijk uit dat de homo sapiens slechts met maximaal 150 mensen een serieuze sociale relatie kan onderhouden. Hij gebruikte daarvoor onder andere een studie naar verschillende apensoorten. Daaruit bleek dat er een directe correlatie bestaat tussen de gemiddelde grootte van de neocortex (de bovenste laag van de hersenen) en de grootte van de sociale groep. Anders gezegd; hoe intelligenter de primaat, hoe meer sociale contacten hij kan onderhouden.

Elkaar vlooien
Ter nuancering van Dunbar’s onderzoek is belangrijk dat het ‘onderhouden’ van sociale contacten in de loop van de evolutie veranderd is. Bij apen gaat het om social grooming, oftewel het hebben van fysiek contact, zoals elkaar vlooien. Maar het grote verschil tussen mens en aap is dat de mens zich in relatief korte tijd zodanig heeft ontwikkeld dat het onderhouden van contacten veel efficiënter gebeurt; het kost minder tijd en is mogelijk over een grotere afstand. Eerst was er de spraak die efficiënter sociaal contact mogelijk maakte, toen de telefoon, daarna e-mail en nu is er dan social networking.

Heeft het zeer laagdrempelig leggen van sociaal contact gevolgen voor Dunbar’s number en hebben we dus over een aantal decennia veel meer vrienden? Waarschijnlijk niet. Onze hersencapaciteit blijft een beperkende factor. Maar het gemak waarmee we tegenwoordig contacten aan ons kunnen binden, heeft wel gevolgen voor de uitwisseling van kennis en informatie. De verwachting is namelijk dat er steeds meer online nichenetwerken – oftwel communities – ontstaan, waarbinnen leden verbonden worden door een gemeenschappelijke context. LinkedIn, een netwerk van hoger opgeleide professionals, is daar een voorbeeld van.

Binnen elk nichenetwerk is een hoog niveau van kennis over een bepaald specialisme aanwezig. En wanneer deze nichenetwerken niet meer afhankelijk zijn van een statische portal (verbonden aan één URL), maar worden geïntegreerd in bestaande online platforms, draag je als bezoeker altijd je netwerk bij je en heb je, afhankelijk van het platform, steeds weer toegang tot een ander kennisnetwerk.

Het delen van kennis gebeurt al op grote schaal, maar zal gekoppeld aan een groot, persoonlijk netwerk, efficiënter en relevanter worden en daarom meer waarde krijgen. Zoek je bijvoorbeeld het boek The Tipping Point op Amazon (waarin gesproken wordt over Dunbar’s number), dan krijg je te horen welke marketeers uit je LinkedIn netwerk dit boek al gekocht hebben en welke (vergelijkbare) andere boeken dit netwerk je aanraadt. En aan een advies van iemand die je kent uit je netwerk – hoe oppervlakkig ook - hecht je altijd meer waarde, dan aan een advies van een willekeurige derde.

Extern brein
Ons relatief kleine netwerk van vrienden waar we échte sociale relaties mee onderhouden zal in omvang waarschijnlijk dus niet zoveel veranderen. Vrienden blijven gewoon vrienden. Toch kan een véél groter netwerk van oppervlakkige contacten veel toegevoegde waarde bieden; het functioneert als een soort extern brein. Maar met sociale interactie heeft dat niet veel meer te maken.

Knowledge networking, in plaats van social networking, lijkt op den duur dan ook een veel betere term voor dit fenomeen.
Televisie verliest monopolie op luie tv kijker
(Adformatie, 07-11-2006)
Zodra de consument zijn televisie gemakkelijk kan aansluiten op het internet, ontstaat er op tv een verschuiving van long naar short content. Tegelijk met de content zullen ook de reclame-uitingen veel korter en gedifferentieerder worden, voorspellen Wouter Boon en William Pen.
Ondanks het feit dat televisie langzaam maar zeker marktaandeel verliest aan het internet en 80 procent van de reclame op televisie niet eens bekeken wordt, geloven velen nog steeds in de superioriteit van televisie. Zo beweerde Jeff Zucker, CEO van NBC Universal, recentelijk nog dat de consument na een dag hard werken helemaal geen zin heeft om interactief bezig te zijn; hij wil gewoon lui consumeren wat hem wordt voorgeschoteld. In deze context is het nuttig om een onderscheid te maken tussen short view - en long view content, waarbij je zou kunnen verdedigen dat de laatste vorm bij voorkeur passief vanuit de luie stoel bekeken wordt en niet vanachter de computer.

Maar wat internet zo interessant maakt ten opzichte van televisie is de onuitputtelijke bron aan user generated content, gemaakt door en voor de internetgebruiker. Van op zolderkamertjes gefabriceerde, nauwelijks van professioneel te onderscheiden manga-animaties tot een amateuristisch gefilmde demonstratie orchideeën snoeien. De content op het internet sluit naadloos aan op de oneindig vele interesses van de gebruikers.

Het laagdrempelig en vrijwel kosteloos toegankelijk worden van content op het internet, wordt beschreven in de long tail. Dit model beschrijft een soort logaritmische curve die contenttitels afzet tegen de populariteit. Het eerste steil aflopende, smalle gedeelte geeft de meest populaire content voor de massa weer en het steeds geleidelijker aflopende, lange deel alle ‘nichecontent’, die door een steeds specifiekere, en daarmee kleinere doelgroep geconsumeerd wordt. Een doelgroep die naar de maatstaven van de op de populaire massacultuur gefocuste broadcasters volledig oninteressant is.

Op dit moment bestaat er op televisie nog geen directe concurrentie tussen populaire content en nichecontent, maar zodra de consument zijn televisie gemakkelijke kan aansluiten op het internet – bijvoorbeeld met Windows Media Centre of iTV – wordt alle nichecontent opeens ook toegankelijk vanuit de luie stoel. Er zullen dan veel geavanceerdere zoekmachines ontstaan die op basis van zoektermen, je individuele kijkhistorie en populariteit een playlist voor je samenstellen met customized content, die je de hele avond zoet houdt. Het consumeren van internetcontent wordt op die manier niet veel minder passief dan een avondje zappen.

Door deze ontwikkeling zal er op ‘televisie’ een verschuiving ontstaan van long – naar short content. Een verschuiving die volledig aansluit op de multitaskende MTV-generatie. Tegelijk met de content zullen ook de reclame-uitingen veel korter en gedifferentieerder worden, want individueel gebonden aan zeer uiteenlopende, specifieke content-items. Deze uitingen worden dan dus niet gekoppeld aan een brede doelgroep, maar aan een persoonlijk zoekprofiel – zoals nu al gebeurt bij Google marketing. En zo ontstaat er customized advertising, in een perfect passend umfeld, met een minimum aan waste.
Creativiteit broodnodig voor innovatie
(Marketing Tribune, 08-08-2006)
Alleen de juist creatieve mensen kunnen werkelijke innovatie tot stand brengen. Daarom zouden ondernemingen bij hun personeelsbeleid meer aandacht moeten besteden aan het aannemen van creatieve geesten, stelt Wouter Boon.

Creativiteit is verzilverbaar. Het staat namelijk voor scheppingsvermogen en vormt zo de basis voor elke innovatie. En het vermogen tot innoveren stelt ondernemers in staat adequaat te reageren op ontwikkelingen in de markt en nieuwe of latente consumentenbehoeftes. Dat levert een duurzaam concurrentievoordeel op dat moeilijk te kopiëren valt. Met name in een wereldmarkt die steeds efficiënter wordt (o.a. door het internet) en waarin de productlevenscycli steeds korter worden, is dat van levensbelang. Te weinig ondernemingen realiseren zich echter dat het bij innovaties niet alleen om de R&D laboratoria draait, maar veel meer om het creatieve denkproces.

De meest radicale innovaties vinden immers plaats op strategisch denkniveau. Strategische innovaties hebben met elkaar gemeen dat ze een productcategorie herdefiniëren door hem open te breken en te combineren met (de core) benefits uit een andere categorie. Neem Easyjet, dat een ‘low cost carrier’-categorie creëerde door de voordelen van over land vervoer (laagdrempelig, goedkoop) te combineren met die van vliegen (snelheid).

Verbeeldingskracht
Voor creativiteit op de werkvloer zijn drie bouwstenen vereist: expertise, motivatie en creatief denkvermogen (lees: verbeeldingskracht). Het is deze laatste bouwsteen die een werknemer in staat stelt vaktechnische kennis (expertise) te combineren met kennis die op het eerste gezicht in het geheel niets met het vakgebied te maken heeft – bijvoorbeeld kennis over producten en behoeften uit een geheel andere categorie. Expertise kun je opbouwen, maar verbeeldingskracht valt moeilijk aan te leren, dus daarop moet je personeel selecteren. Een werknemer die van schilderen houdt is wat dat betreft in potentie minstens zo waardevol als een vakidioot.

Motivatie, de tweede bouwsteen van creativiteit, moet bij een werknemer deels van binnenuit komen. Deze intrinsieke motivatie heeft te maken met persoonlijke drive en interesse voor het vak. Maar de extrinsieke motivatie gaat over het vooruitzicht van beloning, de angst voor verminderde carrièrekansen of de mate van uitdaging - lees: de mate waarin het individueel talent van de werknemer tot zijn recht komt.

Om werknemers extrinsiek te motiveren, is het van belang dat ze in zekere mate de ruimte krijgen om nieuwe wegen in het bedrijfsproces of nieuwe producten te ontdekken en ontwikkelen. Werknemers moeten de tijd en rust hebben om na te denken over nieuwe oplossingen. Zo mogen bij Google werknemers een deel van hun werktijd steken in het bedenken van nieuwe producten. Meer vrijheid leidt aldus tot een soort micro-ondernemerschap. In het verlengde daarvan moet er ook ruimte zijn om te falen, anders gaat men risicomijdend gedrag vertonen en het innovatieproces is nu juist per definitie risicovol.

Over de schutting kijken
Nog een zeer belangrijke voorwaarde voor creativiteit binnen een onderneming is het werken in multidisciplinaire teams. Daarmee breng je verschillende expertises en denkrichtingen samen, hetgeen automatisch leidt tot vernieuwende ideeën. Efficiënter is het natuurlijk om gelijkgestemden te laten samenwerken. Zij zullen snel met een oplossing komen, maar zeker niet met de meest creatieve oplossing. Probeer dus ook niet een bedrijf vol klonen te scheppen, maar sta open voor werknemers met verschillende (culturele) achtergronden.

Tenslotte, een creatieve onderneming vereist een flexibele organisatiestructuur. Top-down management, een strakke hiërarchie, bureaucratie en een conservatieve cultuur zorgen weliswaar voor stabiliteit en efficiëntie, maar zijn funest voor het ontstaan en de implementatie van revolutionaire ideeën.

Kortom, Nederlandse ondernemingen moeten af van risicomijdend gedrag en de focus op kostenefficiëntie. Men moet durven investeren in creativiteit. Diversiteit van werknemers, interactie, een flexibele organisatiestructuur en een cultuur die open staat voor vernieuwing zorgen ervoor dat werkelijk vernieuwende ideeën de kans krijgen. Alleen daarmee ligt marktleiderschap binnen handbereik en kan structureel een vuist worden gemaakt in de steeds heftiger concurrerende wereldmarkt.
Games verdienen plaats in de mediamix
(Adformatie, 03-11-2005)
Veel adverteerders hebben koudwatervrees als het gaat om in-game advertising. Begrijpelijk maar ten onrechte, vindt Wouter Boon. Want met in-game advertising kunnen adverteerders zich op innovatieve wijze onderscheiden en, belangrijker nog, deel uitmaken van de virtuele wereld van een moeilijk te bereiken doelgroep.
In 2004 werd er wereldwijd in de gaming industrie 21 miljard dollar omgezet - waarvan 7,3 in de VS en 6,5 in Europa. Daarmee is de markt minstens zo groot als de filmindustrie. Ook in Nederland is gaming razend populair. In 2004 werd er hier 187 miljoen euro omgezet - 6,7 miljoen games. En de groei is nog lang niet over. Voorspeld wordt dat de markt de komende jaren steeds met zo’n 20 procent zal blijven groeien.

Het gamen biedt een interessant nieuw advertentieplatform. Middels het zogenaamde in-game advertising kan de gamer racen in een prototype van BMW, kunnen er ‘echte’ billboards in het straatbeeld worden geplaatst of kan de ‘energy level’ van de gamer op peil worden gebracht dankzij een frisdrankautomaat van Red Bull. Maar ondanks het enorme bereik van in-game advertising kijken de meeste adverteerders de kat liever nog even uit de boom.

Een van de redenen is dat gaming nog steeds een beetje een negatief imago heeft. Velen associëren gaming met luie hangpubers die dag en nacht achter de computer zitten en nooit meer buiten komen. Daarbij wordt gaming veelal geassocieerd met agressieve shooter - en actiegames, die vooral bij jongens populair zijn. Dit soort games zou geweld stimuleren.

Intelligentie
Maar de feiten ondersteunen deze kritiek niet. De gemiddelde gamer is 30 jaar oud en geboren in de tijd dat de eerste spelcomputers op de markt verschenen. Maarliefst 62 procent van de gamers is tegenwoordig ouder dan achttien jaar. En de angst dat gaming geweld stimuleert is nog nooit ondubbelzinnig bewezen. Wel staat vast dat in de VS de hoeveelheid ‘violent crime offences’ de laatste 10 jaar gedaald is, terwijl de gaming industrie omgekeerd evenredig gegroeid is. Bovendien zijn er ontzettend veel games, zoals de simulation - en platform games, die niets met geweld te maken hebben. Dit soort games vraagt juist creatief - en strategisch denkvermogen van de gamer. Er zijn zelfs studies die de toegenomen intelligentie (onder jongeren) in de laatste decennia voor een deel toeschrijven aan gaming.

Product placement
Naast het feit dat de gemiddelde gamer niet per se een puber en/of gewelddadig is, is er nog een reden om in-game advertising serieus te nemen. Want zoals bekend verliest het traditionele advertentiemedium televisie langzaam maar zeker haar bereik. In de VS besteden mannen tussen de 18 en 35 al meer tijd aan gamen dan aan televisie kijken. Maar ook de kwaliteit van het bereik is anders. De traditionele massamedia worden door de gamende generatie vaak multi-taskend geconsumeerd, waardoor de aandacht beperkt blijft. Gaming daarentegen wordt niet gecombineerd met het lezen van een tijdschrift, telefoneren of surfen op het internet. Bovendien is het adverteren in games een soort virtuele product placement, die veel subtieler werkt.

Bij het vooral in Nederland populaire online gaming is het ook nog mogelijk om slechts voor beperkte duur te adverteren. Zo kan er in een spel van een jaar oud geadverteerd worden voor een product dat nog op de markt moet verschijnen. Ook is het mogelijk om alleen te betalen voor daadwerkelijke exposure, namelijk zolang een gamer zich in een ruimte bevindt waar de uiting zichtbaar is.

En de advertentiemogelijkheden zullen alleen nog maar toenemen, want de gaming industrie is zich steeds sneller aan het ontwikkelen. De games krijgen steeds verfijndere graphics en complexere ‘plots’. Zo wordt het verschil met echte films visueel steeds kleiner en ontstaat er langzaam maar zeker een wereld waarin de gamer letterlijk spelenderwijs de scenarioschrijver van zijn eigen film wordt. De gaming- en filmindustrie zullen elkaar daarom steeds meer gaan overlappen.

Onbekend maakt onbemind en daarom is de koudwatervrees bij veel adverteerders om te adverteren in of rondom gaming begrijpelijk. Helemaal wanneer je je realiseert dat ondanks de enorme populariteit van het internet, online adverteren nog niet standaard in de mediamix zit. Maar dat betekent tegelijkertijd dat adverteerders zich met in-game advertising op innovatieve wijze kunnen onderscheiden van hun concurrentie en, belangrijker nog, zich kunnen wentelen in de virtuele wereld van een moeilijk te bereiken doelgroep. En, last but not least, stelt in-game advertising de adverteerder in staat effectiever en dus efficiënter gebruik te maken van zijn reclame-euro’s.

Boon Strategy
Czaar Peterstraat 111
1018 PE Amsterdam

mail@boonstrategy.com


+31(0)6 4222 8896